Posts tonen met het label ****. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ****. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

Gelezen: Ruth Belville. The Greenwich Time Lady van David Rooney

Afgelopen woensdagochtend kwamen wij er om vijf over zeven achter dat het al vijf over acht was. De klok op de slaapkamer had 's nachts blijkbaar een uur "gemist", waardoor we nog maar een klein kwartiertje hadden om twee kinderen gekleed en gevoed naar school te krijgen. (Wat trouwens gelukt is.)
Als mijn wereldbeeld ook maar enigszins magisch was, zou ik hebben gedacht dat er meer aan de hand was dan enkel een raar technisch mankement. Naast de klok op het nachtkastje lag namelijk al de hele week het boek Ruth Belville. The Greenwich Time Lady van David Rooney. Daarin beschrijft Rooney hoe tussen 1836 en 1940 in Londen de juiste tijd werd vastgesteld en verspreid.
Dat is een fascinerend verhaal, vooral omdat Rooney heel mooi laat zien - dat is ook zijn centrale uitgangspunt - dat nieuwe technieken niet van het ene op het andere moment oude maar vertrouwde technieken vervangen.
Hoofdpersonen uit het boek zijn Ruth Belville en haar ouders John en Maria Belville. Met zijn drieën "verspreiden" zij meer dan honderd jaar de precieze Greenwich Mean Time onder handelaars en klokkenmakers in Londen. Iedere maandagochtend lieten zij hun uiterst precieze chronometer door de techneuten van de Royal Observatory ijken en certificeren. Daarna reisden ze door de stad om bij hun abonnees de precieze tijd af te leveren.
Een andere chronometer van John Arnold.
De chronometer die de Belvilles gebruikten was in 1794 gemaakt
door John Arnold en werd daarom liefkozend "Arnold" genoemd. 
In die eeuw dat de Belvilles met hun klok door Londen reisden, veranderde de stad aanzienlijk, vooral door technologische ontwikkelingen die hun dienst bedreigden. Rooney beschrijft vooral die ontwikkelingen: hoe de tijd via telegraaflijnen vanuit het observatorium naar de treinstations werd verzonden en hoe in 1908 een rel ontstond wegens een grote hoeveelheid "lying clocks" in Londen. Hij beschrijft uitgebreid dat de onrust vooral aangewakkerd werd door de Standard Time Company, een bedrijf dat een techniek ontwikkeld had om klokken "automatisch" te synchroniseren. Dat zou de dienst van Ruth Belville overbodig maken.
Hij beschrijft de invoering van de zomertijd in Engeland, de introductie van de zes pips van de BBC - dit jaar toevallig 90 jaar geleden - en de ontwikkeling van TIM, de klok die je kunt bellen.
 
In het Pathé-filmpje hierboven zie je van 0:46 tot 1:47 de in gebruik name van het apparaat. In het eerste jaar werd er alleen al vanuit Londen 20 miljoen keer naar 846 (TIM) gebeld om Ethel Cain te horen.

Uiteindelijk stopt Ruth Belville in 1940 als de oorlog uitbreekt (ze is dan 86!) met haar dienst. De techniek had haar ingehaald en reizen door Londen werd door de Duitse luchtaanvallen te gevaarlijk.

Rooney schrijft heel toegankelijk en slaagt er in om allerlei ingewikkelde dingen helder uit te leggen. Zou iemand ook eens zo'n boekje over de "Nederlandse tijd" kunnen schrijven?
Bijvoorbeeld over de invoering in 1909 van de Amsterdamse Tijd (die 19 minuten en 32,13 seconden voorliep op de Greenwich Mean Time. Of over de telefoonklok die F.H. Leeuwrik in 1934 voor de gemeente Den Haag ontwikkelde. Of over hoe men in de 19e eeuw wist hoe laat de trein zou komen?

Gerelateerd
Geen schaduwarchieven, wel wat foto's uit Greenwich

zondag 26 januari 2014

Schaduwarchieven: "De Russen komen!" Een intermezzo

Over die schaduwarchieven waar ik nu al een paar weken mee bezig ben, is nauwelijks wat geschreven. In Villa Maarheeze, de geschiedenis van de Inlichtingendienst Buitenland van De Graaff en Wiebes worden er twee-en-halve pagina aan geweid. (En ik kom daar later vast nog een keer op terug, want ze zeggen iets heel interessants), maar verder was ik er nog nergens iets over tegen gekomen.
Daarom was ik ook blij verrast toen Mark Traa naar aanleiding van mijn eerste bericht zijn boek bij mij onder de aandacht bracht:
In zijn boek beschrijft Traa uitgebreid de maatregelen die de Nederlandse regering vanaf 1948 nam om de bevolking te beschermen tegen en redden bij een aanval vanuit het Oostblok. Dit varieerde van plannen om alle binnenvaartschepen die op de Maas, Waal en Rijn voeren ten tijde van een inval, de Noordzee over te laten steken, tot ontzettend gedetailleerde plannen om mensen bij een atoomaanval te evacueren. Vooral die laatste plannen zijn soms hallucinant, omdat je de indruk krijgt dat de ene gemeente of regio zijn burgers verplaatste naar een andere regio en vice versa. Zie ook de recensies in de Volkskrant en de NRC voor meer voorbeelden.
Ik was vooral geïnteresseerd in het hoofdstuk "De papieren oorlog" omdat Traa daarin, in de paragraaf Kisten vol Nederlanders kort schrijft over de schaduwarchieven op Curaçao. Hij beschrijft in een paar pagina's dat duplicaten van de bevolkingsregisters en de dubbelen van de Burgelijke Stand naar de West zijn overgebracht. Helaas gooit hij de twee bestanden wel op een hoop, maar die verwarring is ook wel begrijpelijk.

Cultureel erfgoed veilig stellen
Andere passages die ik wel interessant vond, hebben niet zo zeer met schaduwarchieven, maar wel met het veiligstellen van cultureel erfgoed te maken. Zo is er een Rijkscommissie voor de Bescherming van Monumenten tegen Oorlogsgevaar die in 1948 aangeeft dat er op verschillende plekken in het land kelders gebouwd moeten worden, bijvoorbeeld onder het Rijksarchief in Middelburg en Haarlem, de KB en de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden.
Het ministerie van Financiën vindt dit te kostbaar en suggereert dat de Duitse bunker in Schaarsbergen hiervoor gebruikt zou kunnen worden. Dit stuit echter weer op bezwaren van de minister van OKW, omdat de bunker te dicht bij het militaire vliegveld Delden Deelen ligt en het transport van de kunstwerken te gevaarlijk zou zijn. Uiteindelijk worden bergplaatsen gereserveerd in de duinen bij Heemskerk en Zandvoort, de kunstbunker in Paasloo en in de Sint-Pietersberg. Maar de bunker in Schaarsbergen heeft wel cultureel erfgoed geherbergd, want het was jarenlang een "hulpdepot" van de Rijksarchiefdienst.

Bronnen
Ik heb de indruk dat Traa zijn paragraaf over "Kisten vol Nederlanders" grotendeels heeft gebaseerd op dezelfde dossiers die ik nu ook heb ingezien bij het Nationaal Archief. Maar helaas kan ik dat niet uit het boek opmaken. Dat is ook mijn grootste kritiekpunt op het boek. Traa heeft duidelijk uitgebreid archiefonderzoek gedaan en beschrijft redelijk neutraal (hij ontkomt niet altijd aan de ironie van de kennis van nu) wat de regering allemaal bedacht had. Maar zijn Verantwoording is schandalig beknopt:
Alsof je bij de geraadpleegde literatuur ook alleen maar opschrijft uit welke bibliotheken je de boeken geleend hebt!

Kortom, als je niet wil verifiëren wat Traa allemaal zegt, is het een heel onderhoudend boek.

Gerelateerd
Schaduwarchieven: de dubbelen keren terug in Nederland
Schaduwarchieven: "Uitsluitend bestemd voor gebruik in geval van oorlog"
Schaduwarchieven: kopieën van het archief-bevolkingsregister

donderdag 11 augustus 2011

Gelezen: Laurence Sterne - The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman


Zoals Robèrt Gillesse zei: Tristram Shandy is "hét Boek van de Briljante Gekkigheid." Briljant is het zeker en deze uitgave is daar bij ook nog eens heel mooi, met dubbel gevouwen pagina's, rode letters, lijnen, dubbel gedrukte pagina's, blanco pagina's, alles wat Sterne in de 18e eeuw bedacht had. Hier is de speciale "mini-site" die Visual Editions er bij gemaakt heeft. En nog wat foto's van het boek:

Het boek samenvatten is onmogelijk, het wordt verteld door en zou gaan over Tristram Shandy, maar in de negen delen, wordt deze niet ouder dan zes jaar. Over Tristram zelf kom je ook maar een paar dingen te weten: zijn neus werd gebroken tijdens de bevalling, zijn vader had hem eigenlijk Trismegistus willen noemen, maar dat ging fout bij de aangifte en hij werd als peuter per ongeluk besneden door een raam dat dichtsloeg terwijl hij naar buiten stond te plassen. De rest van het boek gaat van zijpad via uitweiding en omweg naar afdwaling.
Ik weet ook zeker dat ik lang niet alles gesnapt heb, dat komt deels door het Engels en deels doordat er heel veel verwijzingen naar contemporaine dingen in zitten. Maar de delen die ik wel snapte zijn heel humoristisch.

Waar ik me wel over verbaasd heb, en dat is ook wat Will Self in zijn inleiding schrijft, is hoe vastgeroest onze opvattingen over hoe een roman er uit moet zien nu zijn. Het post-modernisme is er niets bij...

zaterdag 30 juli 2011

Gelezen: W. van den Broeck - Een vrouw voor elk seizoen

Walter van den Broeck heeft zeven verhalen over vrouwen gebundeld. Ze zijn niet allemaal even goed, zo vind ik de "twist" in Yolanda, over een vrouw die bij twee mannen wil zijn, erg kunstmatig.
Twee verhalen zijn een soort spiegeling van elkaar (Suzanne en Hanne & Debra) waarin een vrouw een ontmoeting met een oude geliefde ensceneert met als doel de geliefde (min of meer) terug te winnen. Het bijzondere van Hanne & Debra is dan nog dat het een toneeltekst is.
De verhalen die me het meest bevallen zijn de meer autobiografische, die aansluiten bij de cyclus Het beleg van Laken en Aantekeningen van een stambewaarder. Het eerste - Krimhilde - is een niemandalletje over een bezoek aan een striptent met zijn vader en schoonbroer. Maar vooral Marie & Ella is mooi, omdat hierin beschreven wordt hoe zijn ouders elkaar ontmoeten. Hij een schuchtere, Belgische soldaat in Duitsland, zij (Ella) een assertieve serveerster in een restaurant. En het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Marie, de vriendin van Ella, die ook smoorverliefd is op die knappe Belgische soldaat.
Het derde autobiografische verhaal is een soort vermenging van Dad's Army en Debiteuren/Crediteuren in een kazerne van het Belgische leger (weer in Duitsland trouwens)
En tenslotte is er een verhaal over een diplomaat in een Zuid-Amerikaans land, dat ik niet zo goed kan plaatsen.

Gelezen tussen 11/07/2011 en 1/07/2011

maandag 6 juni 2011

Gelezen: S. Vestdijk - De koperen tuin #KVAN11

Vandaag en morgen zijn de KVAN-dagen in Leeuwarden en het "congres-diner" vindt plaats in De koperen tuin. Aanleiding dus om weer eens een Vestdijk te lezen: De koperen tuin, uit 1950.
De titel verwijst naar de sociëteit in het Friese provinciestadje W..., waar de 5 of 6-jarige Nol Rieske wordt betoverd door de muziek uit de kiosk en Trix, die iets ouder is dan hij en waar hij in de tuin mee danst. (Voor de niet Vestdijkianen, die W... verwijst naar Weulnerdam, het "pseudoniem" van Leeuwarden in de Anton Wachter-romans.)
In de jaren daarna neemt Nol pianoles bij de vader van Trix en koestert hij zijn verliefdheid voor Trix. Uiteindelijk loopt het noch met Trix, noch met haar vader goed af.

De Koperen Tuin werd in 1975 verfilmd door de NCRV. Hierboven zie je de dansscène uit die serie. (Als de embed niet werkt, hier is de url.)
Wat mij altijd zo verbaasd aan de "liefdesromans" van Vestdijk, zoals deze, maar ook bijvoorbeeld Terug tot Ina Damman, is dat ik die verliefdheid nooit snap. Nol wordt na het dansje in de tuin smoorverliefd op Trix. Maar, mij wordt helemaal niet duidelijk waarom. Trix wordt zelfs als een vervelende griet afgeschilderd. Datzelfde geldt ook voor Ina Damman, dat is echt een vervelend wicht. Het hele boek door wil je hem adviseren om het aan te leggen met Ina's vriendin, Marie van de Boogaard. Die is veel leuker. (In De andere school, deel 4 van de Anton Wachterreeks, doet hij dat uiteindelijk ook.)
En in een van de latere Anton Wachterdelen is er opeens een Esther Ornstein, waar hij "peristaltische oefeningen" meedoet, maar die ook ongenaakbaar is. Blijkbaar hield Vestdijk ervan om zijn hoofdfiguren te kwellen met ongenaakbare vrouwen...

(Voor een iets diepzinnigere analyse van De Koperen Tuin verwijs ik naar het artikel van Jeroen Vullings in Vrij Nederland.)

Vanavond rond het diner zal er trouwens een foto gemaakt worden van congresgangers met in hun handen een exemplaar van De Koperen Tuin. Nu eerst tanden poetsen en op weg naar de Fryske Akademie...

Gerelateerd
Terms of Service en Overheid 2.0 #kvan11

vrijdag 6 mei 2011

Herlezen: Michael Ende - Momo en de tijdspaarders

Tijdens het weekje in Zeeland heb ik Momo en de tijdspaarders herlezen, vooral omdat iemand zei dat weer iemand anders leek op een "tijdspaarder." De eerste keer dat ik het boek las zal toch al snel 25 jaar geleden zijn geweest en ik kon me terwijl ik het boek las wel enkele passages herinneren. (Ik vind het altijd vreemd om te zien wat je je herinnert. Ik wist dat er iets met een schildpad was en spelende kinderen en een amfitheater. Maar verder herkende ik nauwelijks iets.)
Hoewel het boek een typisch jaren-zeventig-thema heeft en Ende de boodschap er wel heel dik bovenop legt, viel het nog al mee met de gedateerdheid. De Tijdspaarders maken mensen wijs dat ze nu tijd kunnen sparen, om later leuke dingen te doen. Met als gevolg dat mensen steeds meer dingen steeds gehaaster gaan doen en de "lol" uit het leven verdwijnt.
Ik moest toen ik het boek las niet zozeer denken aan "de consumptiemaatschappij" maar aan "het nieuwe werken" en een beetje wat Ad van Heijst daar eerder op deze blog over schreef:
Stel dat jij een baas hebt die sociale media propageert en hij stelt jou in de gelegenheid daar gebruik van te maken, mag die baas dan ook van je vragen dat je in vakantietijd bereikbaar bent (want privé en werk lopen toch door elkaar heen, je blogt toch ook onder werktijd). Mag de baas van je vragen om je telefoon open te houden in de weekeinden, zodat hij je kan bellen (want werk en privé lopen toch door elkaar heen, daarover zijn we het inmiddels wel eens, leve de sociale media!)
In Duitsland is er inmiddels een beweging die terug wil naar een strikte scheiding van werk en privé. [...] En steeds meer mensen willen dat blijkens onderzoek.
 Gelezen tussen 25/04/2011 en 27/04/2011

woensdag 16 maart 2011

Gelezen: John Newman - Oswald and the CIA

Ik heb nog nooit een boek gelezen waarin metadata zo'n grote rol spelen. Newman probeert in dit boek duidelijk te maken dat de CIA al ruim voor de moord op JFK heel veel belangstelling had voor Lee Harvey Oswald en hem misschien wel actief gebruikt heeft voor allerlei zaakjes. Aan de hand van datumstempels, route-formulieren, dossiernummers en zelfs de syntaxis van dossiernummers probeert Newman in de archieven van CIA, FBI en ONI te  reconstrueren wat de CIA wanneer over Oswald wist.
Eric Burger (die mij dit boek leende, dank daarvoor) schreef eerder al over dit boek en wat dit betekent voor huidige, digitale archiverings- en workflow-applicaties en de metadata die daar in zitten: "It's the metadata, stupid." Daar heb ik verder helemaal niets aan toe te voegen.
Wel wil ik hier nog even verwijzen naar het feit dat deze editie (uit 1995) ondertussen achterhaald is. In 2008 is een herziene uitgave verschenen. Blijkbaar zijn tussen 1995 en 2008 op grond van de President John F. Kennedy Assassination Records Collection Act nog zoveel documenten vrij gegeven (in 1995 had Newman het al over 2,5 miljoen pagina's) dat Newman nu wel nadrukkelijk verantwoordelijken durft aan te wijzen:
"In my view, whoever Oswald's direct handler or handlers were, we must now seriously consider the possibility that Angleton was probably their general manager. No one else in the Agency had the access, the authority, and the diabolically ingenious mind to manage this sophisticated plot. No one else had the means necessary to plant the WWIII virus in Oswald's files and keep it dormant for six weeks until the president's assassination. Whoever those who were ultimately responsible for the decision to kill Kennedy were, their reach extended into the national intelligence apparatus to such a degree that they could call upon a person who knew its inner secrets and workings so well that he could design a failsafe mechanism into the fabric of the plot. The only person who could ensure that a national security cover-up of an apparent counterintelligence nightmare was the head of counterintelligence."
Gelezen tussen 19/02/2011 en 12/03/2011

zaterdag 29 januari 2011

Gelezen: Gustaaf Peek - Ik was Amerika

Het blijft me toch verbazen dat de Tweede Wereldoorlog nog zo'n grote rol speelt in de moderne Nederlandse literatuur. Gustaaf Peek is één jaar jonger dan ik, maar schrijft toch een boek over de oorlog. Het is een heel goed boek hoor en hij beschrijft ook dingen die ik niet wist, maar toch. Waarom steeds die 'oude' oorlog?

In Ik was Amerika gaat het over Dirk, een Nederlandse Duitser, die in 1943 in Noord-Afrika vecht voor de Duitsers en gevangen genomen wordt door het Amerikaanse leger. Om de een of andere reden wordt hij samen met zijn Duitse collega's op transport gezet naar Texas, waar hij in een krijgsgevangenenkamp te werk gesteld wordt. (Terwijl ik dit typ moet ik denken aan Stalag 17, de geweldige film waarin 'de andere kant' geportretteerd wordt.)
In Texas sluit Dirk vriendschap met Harris, een van de zwarte werkers op de  katoenplantage waar de Duitsers moeten werken. En hij krijgt een kortstondige relatie met Cicely, de halfzus van Harris. Jaren later, ik denk in 1981, besluit Dirk terug te keren naar Amerika en zijn vriend op te zoeken.
Het verhaal wordt verteld vanuit verschillende perspectieven (onder andere Harris, Dirk en Jennifer, de dochter van Dirk en Cicely) en springt heen en weer in de tijd. Mij bevalt dat wel, al zit er een enkele onzinnige en overbodige perspectiefwisseling in.
Het gekke is wel dat Peek er in slaagt om heel aangrijpende passages te schrijven en de personages tot leven te wekken, terwijl de motieven en achtergronden van de vier hoofdfiguren eigenlijk fragmentarisch en onvolledig uit de doeken worden gedaan. Waarom vecht Dirk voor de Duitsers? Waarom gaat hij eigenlijk terug naar Amerika? Waarom woont Jennifer in huizen die ze moet verkopen? zijn allemaal vragen die niet of nauwelijks beantwoord worden. En waarom heet het boek  Ik was Amerika? En heeft die aparte typografie op de kaft ook nog betekenis?

Meer informatie over de krijgsgevangenenkampen in Texas is onder andere te vinden op de volgende websites:
History Detectives (lijkt me trouwens een interessant TV-programma)
Camp Hearne, Texas: A German Prisoner of War Camp During the Second World War
TexasEscapes
German Prisoners of War

Gelezen tussen 17/01/2011 en 25/01/2011

maandag 29 november 2010

Gelezen: Jean Pierre van Rossem - Een dode zwaan in Tann

Een wonderlijk boek, dat is de eerste kwalificatie die bij me opkomt als ik denk aan Een dode zwaan in Tann. Niet dat het 'verhaal' zo bijzonder is, dat is redelijk snel verteld: de zestienjarige Hélène Willink uit Winterswijk vertrekt aan de vooravond van de Grote Oorlog naar Duitsland om er in Thüringen te kuren. Ondanks dat ze wacht op Frans, een Duitse schrijver, waar ze hevig verliefd op is, vinden hier allerlei amoureuze ontwikkelingen plaats met mannen en vrouwen. Nadat de Eerste Wereldoorlog is uitgebroken kan ze niet meer terug naar huis en 'vlucht' ze naar Berlijn, waar ze eerst door een of andere seksueel gefrustreerde schilder min of meer gevangen wordt gehouden. Daarna werkt ze in een soort theatercafé. De schrijver is ondertussen onder de wapens geroepen en vecht in Frankrijk aan het front. Het boek eindigt in een anticlimax, want als ze met de Kerst weer afreist naar Thüringen om in Tann een rendez-vous met haar schrijver te hebben, blijkt dat deze wegens diefstal is gevangen gezet.
Het bijzondere van het boek zit in de 'geschiedenis' die Van Rossem er bij vertelt. (Voor degene die Van Rossem niet kennen: hier is zijn Wikipedia-artikel en dit artikel uit Humo maakt ook een en ander duidelijk...)
Deze kleurrijke figuur schrijft in de inleiding van het boek dat hij het niet zelf heeft geschreven, maar dat het om een manuscript gaat dat hij van een Nederlandse student heeft gekregen. De Hélène Willink  uit het boek, is niet alleen de hoofdpersoon, maar ook nog eens de auteur van de roman. En Hélène (1898-1929, die in het echt blijkbaar een andere voornaam zou hebben gehad) is niet zo maar iemand, ze is de (onechte?) kleindochter van Jan Willink, textielmagnaat en oprichter van diverse spoorwegmaatschappijen in Winterswijk. In het boek wordt verder ook alle moeite gedaan om de indruk van authenticiteit te wekken. Zo ontbreekt het vierde hoofdstuk en wordt in 162 voetnoten van allerlei details aangetoond dat ze waar of onwaar zijn. Aan het eind van het boek staat dan nog een (warrige) verhandeling over de relatie die Willink gehad zou hebben met Franz Jung, de anarchistische schrijver. Uiteraard heb ik ondertussen ook even bij de Winterswijk-deskundige gepolst, maar zij had nog nooit van Hélène Willink gehoord.
In een interview met Trouw zegt Van Rossem bij het verschijnen van het boek:
"Maar om eerlijk te zijn vind ik de vraag of Helene Willink nu wel of niet heeft bestaan niet eens zo interessant. Het gaat om de tekst. En die boeit. Alleen in de eerste hoofdstukken, die over de spoorwegen gaan (de Willinks zijn oprichter van de Overijssels-Gelderse Spoorwegmaatschappij-GK), heb ik serieus gesnoeid. Verder zijn er een paar langdradige niet ter zake doende dialogen geschrapt."
De hypothese dat hij bij wijze van schelmenstreek zelf wel eens in de pen zou kunnen zijn geklommen, wijst het Belgische enfant terrible met gespeelde verontwaardiging van de hand. "Dat kunnen alleen mensen zeggen die nog nooit iets van mijn hand hebben gelezen."
In de inleiding en in het interview in Trouw is sprake van nog vier delen die zouden verschijnen, maar dat is nooit gebeurd.
Alles bij elkaar doet me toch sterk vermoeden dat het een knap gefabriceerde mystificatie van Van Rossem is en dat maakt het toch nog leuker allemaal...

Gelezen tussen 19/11/2010 en 27/11/2010

vrijdag 12 november 2010

Gelezen: Paul Auster - Man in the dark

Een oude man, literair criticus August Brill, is na een auto-ongeluk enigszins aan bed gekluisterd en  leidt ook nog aan slapeloosheid. Hij woont in bij zijn gescheiden dochter en zijn ongelukkige kleindochter bivakeert daar ook.
Om de nachten door te komen en in een poging een paar verschrikkelijke herinneringen op afstand te houden verzint Brill verhalen. In de eerste helft van het boek verteld hij het verhaal van een man die in een fictief Amerika terecht komt, een Amerika dat niet in oorlog is met (of in) Irak, maar waar een tweede burgeroorlog heerst. Dit verhaal wordt halverwege de nacht (niet toevallig ook halverwege het boek) abrupt afgebroken, omdat Brill zijn kleindochter, die ook last van slapeloze nachten heeft, over zijn vrouw gaat vertellen.
Uiteindelijk beschrijft Auster toch de verschrikkelijke beelden die Brill en zijn dochter en kleindochter maar niet kunnen vergeten tot in detail. En eigenlijk is dat jammer, omdat de tweede helft van het boek nu wel heel verklarend is tegenover het eerste deel. Waarschijnlijk was het toch indrukwekkend geweest als het allemaal iets geheimzinniger was gebleven.

Man in the dark anders
Op zoek naar wat meer info over dit boek, kwam ik trouwens nog een paar interessante links tegen:
Man in the dark is ook de eerste 3D-film ooit door een Amerikaanse studie gemaakt, in 1959 al.
En www.maninthedark.com verwijst naar het 3D-mannetje hieronder, dat je met je muis kunt besturen, weird!


Gelezen tussen 03/11/2010 en 08/11/2010

Gerelateerd
Invisble - Paul Auster

woensdag 3 november 2010

Gelezen: Peter Oltshoorn - De macht van Google

"Werkt Google voor jou of werk jij voor Google?" is de pakkende ondertitel van dit boek. En het antwoord van Oltshoorn is "Alletwee". Google levert ons fantastische diensten, maar in ruil daarvoor geven wij, vaak zonder dat we dat weten, heel veel terug aan Google: bezochte websites, klik-gegevens, e-mailberichten, foto's, routebeschrijvingen, noem maar op.
Oltshoorn omschrijft zichzelf als een kritische Google-fan, zoals ook blijkt uit de laatste zin van het boek:
Want Google verdient kritische aandacht  - des te langer hebben we plezier van dit mooiste bedrijf op aarde.
Wat uit het boek vooral blijkt, en als je een beetje Google-watcher bent is dat geen nieuws, is dat Google een advertentiebedrijf met een innovatieve geest is.Oltshoorn legt uitgebreid uit hoe de twee melkkoeien van Google, AdSense en AdWords werken en dat Google een zeer grote, commerciële afdeling heeft, die onder andere bedrijven adviseert over de manier waarop ze hun website moeten opbouwen om de meeste baat te hebben bij de advertenties.
Uiteraard spelen privacy en persoonlijke levensfeer een grote rol in het boek. Oltshoorn beschrijft uitgebreid welke informatie Google allemaal van je kan weten (en dat is voor de 'leek' waarschijnlijk schrikken), maar weet ook duidelijk te maken dat het bedrijf op dit moment nog heel terughoudend is met het gebruik en de combinatie van de beschikbare data. Zo wist ik bijvoorbeeld niet dat de advertenties die verschijnen bij zoekopdrachten volledig losstaan van de advertenties die verschijnen in bijvoorbeeld GMail. Ik bedoel te zeggen, er is op dit moment geen koppeling tussen de data die Google van zijn gebruikers (accounts) verzamelt en de zoekresultaten. De advertenties bij de zoekresultaten zijn puur het gevolg van de informatie in vraag en resultaat.
Verder benadrukt Oltshoorn ook dat ook andere bedrijven, zoals creditcard-maatschappijen en ISP's ook over heel erg veel data over mensen beschikken, maar dat daar veel minder aandacht aan besteed wordt. Daar heeft hij wel een punt. Op het moment dat ik bijvoorbeeld bij Ziggo telefoon, internet en televisie afneem, weet Ziggo heel veel over mij: met wie ik bel, met wie ik e-mail, welke websites ik bezoek en wat ik op TV kijk. Daar heb ik eigenlijk nog nooit iemand over gehoord...
Ook wordt in het boek uiteraard heel veel aandacht besteed aan PageRank, het geheime systeem dat de zoekresultaten bepaalt. Hoewel Google zegt dat hierbij nooit sprake is van handmatig ingrijpen, maar dat het allemaal in "de machine" zit, weet Oltshoorn hier toch enige twijfel over te zaaien.
Het hoofdstuk waarin beschreven wordt hoe we Google zouden moeten temmen (als we dat willen) valt een beetje tegen. Het is een opsomming van halfslachtige internationale en nationale regels en rechtzaken. In het deel over wat je als particulier kunt doen, komt hij niet verder dan het opsommen van andere diensten die je kunt gebruiken. En hoewel het boek op verschillende passages opmerkelijk actueel is, is dat hier niet het geval als Oltshoorn verwijst naar de privacy die Scroogle zou leveren.

Drie omissies
Hoewel Oltshoorn in zij boek ongeveer alle Google-diensten minstens één keer noemt en dus ook iedere keer benadrukt dat Google een advertentie-bedrijf is dat gebaat is bij zo veel mogelijk kennis over de voorkeuren en het klikgedrag van zijn gebruikers, verbaast het me dat hij Google Reader geen enkele keer noemt. Volgens mij is Reader de bijna perfecte dienst om de interesses van iemand bij te houden. Geheel vrijwillig verzamel en categoriseer ik de websites die ik interessant vind. En zoal uit onderstaande afbeelding blijkt weet Google precies hoe lang ik van Reader gebruik maak en hoe vaak ik op een item uit een bepaalde feed klik.
Wat dat betreft, en dat realiseer ik me pas nu ik het boek gelezen heb, is het heel opvallend dat Google geen reclames toevoegt aan Reader.
Even klikken voor een versie die beter leesbaar is

Het tweede en derde gemis zijn meer van bibliografische aard. In het boek is slechts een heel rudimentaire literatuurlijst opgenomen (van het niveau: Wired, 1995-2010) en ook voetnoten ontbreken. Onder literatuurlijst staat dat deze te vinden zijn op demachtvangoogle.nl Maar daar staat op dit moment (3 november 2010) nog altijd: "Hier verschijnen binnen enkele dagen voetnoten bij De macht van Google." En Oltshoorn doet verschillende keren uitspraken die ik graag zou willen verifiëren of waar ik meer over zou willen weten.
Wat ook ontbreekt is een index. In een analoog boek waar zoveel namen van mensen, diensten en programma´s voorkomen, is dat zeer onhandig als je later nog eens iets terug wil zoeken.

Al met al is het een redelijk interessant boek, waar vooral de beginnende Google-watcher heel veel nieuws in zal lezen. Maar doordat Oltshoorn enkele interviews met Google-medewerkers uitschrijft, staan er ook voor de wat dieper ingevoerden interessante nieuwigheden in.

Gerelateerd
Googlization of everything
Googlization in De Balie
Google en aptocracy

Gelezen tussen 28/10/2010 en 03/11/2010

zondag 24 oktober 2010

Gelezen: Nicole Kraus - The history of love

Vijf jaar geleden las ik The history of love voor het eerst en sindsdien heb ik het allerlei mensen aangeraden en cadeau gedaan. Afgelopen weken las mijn H. het boek en zij beklaagde zich er over dat ze er niets van snapte: al die figuren die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben: Leo, Bruno, Alma en nog een Alma, Isaac, Svi en Rosa. En dan gaat het ook nog over een ander boek, dat vanuit het Jiddisch vertaald is naar het Spaans en daarna weer naar het Engels vertaald wordt...
Ik kon me die ingewikkelde vertelstructuur eigenlijk niet herinneren, maar bij herlezing snap ik het wel. Kraus heeft zich alle moeite gedaan om beetje bij beetje duidelijk te maken wat de relaties tussen de verschillende hoofdpersonen zijn. En aan het eind moet je alles voor jezelf nog een keer op een rijtje zetten om het te snappen. Je moet er inderdaad van houden om je als het ware helemaal over te geven aan de grillen van de auteur en er maar op vertrouwen dat het aan het eind allemaal goed komt. Ik hou daar wel van, H. niet.
Ik vind het een mooi verteld verhaal. De jonge Alma is geen geloofwaardige tiener en misschien is de oude Leo ook wel geen geloofwaardige bejaarde (al kan ik dat lastiger inschatten), maar dat stoort me niet. Het is een mooi, soms humoristisch verhaal over liefde, ouder worden, verlies en dood, waarbij de Joodse geschiedenis een belangrijke rol op de achtergrond speelt.

Spoiler-alert
Wat ik me bij de eerste lezing trouwens helemaal niet gerealiseerd had, is dat Bruno helemaal niet bestaat. Hij is al zestig jaar dood en bestaat alleen nog maar in de verbeelding van Leo. Dat is dus de relatie met Alma, lieve M.

Gelezen tussen 12/10/2010 en 22/10/2010

donderdag 22 juli 2010

Gelezen: The checklist manifesto van Atul Gawande

Voor het SAP-Jaarboek werken Paul Huismans en ik aan een artikel over checklists. Op zoek naar relevante literatuur kwam ik The Checklist Manifesto van Atul Gawande tegen.
Gawande beschrijft uitgebreid hoe verschillende sectoren (kunnen) profiteren van het gebruik van 'checklists'. Hij is zelf chirurg en een paar jaar geleden betrokken bij een project van de WHO om een "surgical checklist" ingevoerd te krijgen bij alle ziekenhuizen, dus daar besteedt hij veel aandacht aan. Maar hij bekijkt ook de luchtvaart, de bouw en beurshandelaren. Hoewel Gawande (uiteraard) schrijft als een echte Amerikaan staan er verschillende interessante observaties in. Ander minpunt is dat hij in alles een 'checklist' ziet, bijvoorbeeld ook in de projectplanning voor de bouw van een wolkenkrabber en in de bizarre eisen van David Lee Roth:
Listening to the radio, I heard the story behind rocker David Lee Roth's notorious insistence that Van Halen's contracts with concert promotors contain a clause specifying that a bowl of M&M's has to be provided backstage, but with every single brown candy removed, upon pain of forfeiture of the show, with full compenastion to the band.
In zijn memoires legt Roth blijkbaar uit deze eis weloverwogen was. Van Halen was destijds een van de eerste bands die een enorm podium, met gigantische lichtshows en toebehoren gebruikten tijdens hun shows. Hierdoor hadden de contracten de omvang van een "Chinese gouden gids."
So just as a little test, buried somewhere in the middle of the rider, would be article 126, the no-brownM&M's clause. "When I would walk backstage, if I saw a brown M&M in that bowl," [Roth] wrote, "well, we'd line-check the entire production. Guaranteed you're going to arrive at a technical error..." (p.80)
Leuk verhaal, maar met een inspecteursbril op, niet erg geloofwaardig en effectief. Volgens mij was die bizarre M&M-eis redelijk snel bekend onder alle concert-promotors, ook zonder dat ze dat hele telefoonboek aan eisen hadden doorgeploegd. Daarmee verloren de bruine M&M's dus binnen de kortste keren hun waarde als sjibbolet.

Het meest opvallende vind ik dat het bij de checklists van Gawande niet gaat om het 'oplossen' van problemen. De lijsten benoemen alleen cruciale punten waar aan gedacht moet worden, maar geven geen 'oplossingen.' De professionals die de checklist hanteren moeten zelf de oplossingen verzinnen op basis van hun deskundigheid.
Een ander opvallend punt is dat de checklists naast het signaleren van mogelijke standaard-fouten, vooral bedoeld zijn om de communicatie binnen een team te bevorderen. Het meest pregnante blijkt dat uit de "operatie-checklist." Voordat een operatieteam aan een operatie begint moeten een paar dingen 'afgevinkt' worden, waaronder "voorstelrondje". Het blijkt dat vooral in grotere ziekenhuizen de leden van een operatieteam elkaar niet kennen en dat zoiets simpels als zeggen wie je bent en wat je rol is, de samenwerking enorm verbeterd. Verder zien vooral chirurgen zichzelf als een soort alleskunnende superhelden, die het niet nodig vinden om van te voren even aan te geven wat ze denken te gaan doen en welke problemen ze verwachten. En die chirurgen gaan er dus helemaal niet van uit dat een verpleegster hierover ook nog wel eens iets zinvols zou kunnen zeggen. Om die reden is het de verpleegster die de checklist hardop zou moeten nalopen en is er ook een "voorbespreking" in de lijst opgenomen.
Al met al blijkt dat het gebruik van een dergelijke checklist bij alle ziekenhuizen (groot, klein, arm, rijk) veel minder (soms wel tot de helft) post-operatieve problemen tot gevolg had. Volgens mij wordt de checklist nog niet in Nederland gebruikt. Dus...

Heb ik als archiefinspecteur veel gehad aan het boek? Niet direct, de checklists die er in besproken worden, zijn vooral bedoeld om ervoor te zorgen dat mensen bij het uitvoeren van werkzaamheden geen cruciale stappen overslaan en met elkaar communiceren. De enige keer dat een toezichthouder in het boek genoemd wordt, is als het gaat over de bouw van een wolkenkrabber:
The [building] inspectors do not recompute the wind-force calculations or decide whether the joints in a given building should be bolted of welded, he said. Determining whether a structure (...) is built to code and fit for occupancy involves more knowledge and complexity than any inspector could possibly have. So although inspectors do what they can to oversee a building's construction, mostly they make certain the builders have te proper checks in place and then have them sign affidavits attesting that they themselves have ensured that the structure is up to code. Inspectors disperse the power and responsibility. p.73
Aan de andere kant, bovenstaand citaat sluit wel mooi aan bij de "Oosting-ontwikkelingen" en het boek daagt wel uit om na te denken over checklists die voor het archiefbeheer ontwikkeld zouden kunnen worden.

Wordt later vervolgd, hier en in het S@P-Jaarboek.

vrijdag 19 maart 2010

Walter van den Broeck - Terug naar Walden

  • Steve Fosset stierf boven de Vlaamse Kempen bij een botsing tussen zijn vliegtuigje en een helikopter.
  • De kredietcrisis is veroorzaakt door de rijkste man van de wereld, die uit wraak besloot vlak voor zijn dood alles te verkopen.
  • Frederik van Eeden ging toch niet naar Amerika.
In Terug naar Walden klutst Walter van de Broeck de recente geschiedenis en literatuur weer mooi door elkaar. Nadat hij te horen heeft gekregen dat hij nog maar korte tijd te leven heeft, besluit Ruler Marsh dat het tijd is om zijn voornemen om wraak te nemen op de mensen die zijn familie ten gronde hebben gericht uit te voeren. Hij is de afgelopen jaren de aller-, aller-, allerrijkste man van de wereld geworden en op het moment dat hij zegt “Verkopen” stort de volledige wereldeconomie in elkaar. Hierop reist Marsh als een soort geroepene op de bonnefooi de wereld over, tot hij terecht komt in Wallem, het dorp waar zijn overgrootvader geboren is en waar zijn zoektocht eindigt.

Ik weet niet of de roman nu helemaal gelukt is of niet. Zo vond ik het eind te magisch. En ook de ‘vertelstem’ (focalisatie, in wetenschappelijk letterkundige termen) lijkt me niet helemaal consequent. In de beginhoofdstukken wordt Marsh vooral beschreven vanuit het perspectief van de buitenstaanders die hij ontmoet: een taxichauffeur, een stewardes, een prostituee. Dit heeft een bijzonder effect, dat een beetje doet denken aan films als Short Cuts van Robert Altman, waarin het leven van de een altijd verbonden is met het leven van anderen. Na verloop van tijd verdwijnt dit echter doordat het perspectief toch steeds meer naar Marsh verschuift. Dat is jammer.
Aan de andere kant, het boek is humoristisch, zit boordevol verwijzingen naar film, literatuur en actualiteit en mooie zinnen en Van den Broeck weet hoe hij een verhaal moet vertellen. Het is geen Beleg van Laken, maar beter dan zijn andere recente ‘niet-autobiografische’ boeken, zoals De Veilingmeester.

zaterdag 13 maart 2010

Gelezen: Thomése en Chabon

Bij Thomése weet ik nog altijd niet of er meer is dan taal in zijn romans. Het verhaal van Vladiwostok is (net als in J. Kessels, the novel) volledig over the top. De belevenissen van een aankomend, veelbelovend politicus en zijn 'spin docter' zijn, in mijn ogen volstrekt ongeloofwaardig. Thomése spot wat met de leegheid van de politieke mannetjesmakerij en gooit er een beetje menselijk leed in de vorm van ongewenste kinderloosheid dorheen. Dat is allemaal niet zo spannend, maar de manier waarop Thomése de gedachtengangen van de twee mannelijke hoofdfiguren beschrijft, maken veel goed, maar niet genoeg: ***
In 1944 is Sherlock Holmes 89 en houdt hij bijen in een klein dorpje buiten Londen. The final solution is het laatste raadsel dat de beroemde speurneus op zal lossen: Wie heeft de papegaai Bruno gestolen van een zwijgend Joods jongetje dat uit Duitsland is gevlucht? Dat er bij die diefstal iemand vermoord is, is voor Holmes slechts bijzaak.
Chabon verbindt in deze novelle van amper 125 pagina's de 19e eeuw, met Indiase immigranten op het Engelse platteland en de Endlösing op een heel mooie, intelligente manier met elkaar. En uiteraard vind ik het intertekstuele spel prachtig. Alleen jammer dat hij het nodig vond, de oplossing in de laatste alinea volledig uit te spellen: ****

(Geschreven in een gehucht van drie straten in de Ardennen, op de laptop van mijn neefje)

vrijdag 5 maart 2010

Managing the crowd - Steve Bailey #archief20

Archiefbescheiden:
1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door de overheidsorganen ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten;
De meeste mensen waar ik tijdens mijn inspectiebezoeken mee praat, kennen deze definitie uit artikel 1 van de Archiefwet. Sommige slimmeriken voegen daar dan ook nog de slogan Archief is procesgebonden informatie aan toe. Maar bij al die organisaties worden de databasesystemen die gebruikt worden voor het beheren van begraafplaatsen, het verstrekken van uitkeringen en bouwvergunningen of het betalen van facturen niet als archief gezien. Steve Bailey (twitter - weblog) schrijft hierover in Managing the crowd. Rethinking Records Management for the Web 2.0 World:

"As the range, complexity and volume of information platforms have increased in recent years, so we have been able to continue with our traditional activities, safe in the knowledge that, interesting as they may be, they do not create records and are not, therefore, our responsibility. We have already discussed some examples of this in in terms of our professional response (or lack of) to the rise of the internet. To varying degrees, the same could be said about e-mail, instant messaging, research data, relational databases ans line of business applications and now, of course, Web 2.0. All of these examples do, in some shape or form, have the capacity to create records, but somehow this has largely gone unnoticed. Rather than trying to push our professional relevance to each of these new technical trends at every possible opportunity, we seem to have done our best to run the other way." (p.61)

In zijn boek probeert Bailey geen oplossingen te zoeken voor deze databasesystemen, zijn doel ligt nog hoger: hij probeert te schetsen hoe een archiefsysteem (in de breedste zin van het woord) voor het archiveren van Web 2.0-uitingen er uit zou kunnen zien.
Hij focust zich hierbij vooral op appraisal en classification: selectie & waardering en ordening & classificatie.

Uitgangspunt bij het klassieke klasseren en ordenen is wat Bailey "Central Command & Control" noemt. Op één plek worden alle archiefstukken beschreven, geordend, toegankelijk gemaakt en bewaard. Om dit te realiseren maken organisaties gebruik van een centraal ordeningsplan, een voor alles en iedereen geldend metadataschema en organisatie-overkoepelende afspraken. Het probleem is dat deze generieke instrumenten naar hun aard nooit specifiek genoeg kunnen zijn voor individuele medewerkers en taken en dat het nog al omslachtig is om ze aan te passen aan nieuwe omstandigheden.
In dit verband wijst Bailey ook op de paradoxale situatie dat mensen op hun werk ongeveer weigeren om metadata aan informatie toe te voegen, terwijl ze in hun vrije tijd voor hun plezier wel foto's in Flickr, filmpjes in Youtube en webpagina's in Delicious taggen. Waarschijnlijk, stelt Bailey, hebben mensen het idee dat ze met taggen hun individualiteit kunnen tonen, terwijl het metadataschema van de organisatie er juist op gericht is om alle individualiteit zo veel mogelijk uit te bannen.
Een derde probleem van "Central Command & Control" is dat het in de digitale wereld en in de Web 2.0 wereld in het bijzonder, zo goed als onmogelijk is om alle informatie op één centrale plek te bewaren. Een kenmerk van Web 2.0 is juist dat informatie wijdverspreid op het web staat (in een blog, in Google Docs, op een webforum). De vraag is dus hoe je al die informatie centraal zou kunnen klasseren en toegankelijk maken.

Baileys opmerkingen over selectie en waardering sluiten hier bij aan. Hoe kun je uit die enorme hoeveelheid data vaststellen wat een archiefstuk is en wat niet? En hoe ga je daarna bewaartermijnen vaststellen?
Ik dacht eerst dat hij zou zeggen dat selectie en vernietiging in een digitale wereld niet meer nodig is, maar hij hanteert voor de vernietiging van digitale archieven eigenlijk dezelfde argumenten als voor analoge: ruimtegebrek en kosten. Het lijkt hem onwaarschijnlijk dat de Wet van Moore tot het oneindige door zal gaan, op een gegeven moment is het gewoon onmogelijk om nog meer componenten op een kleiner oppervlak te monteren. Daarnaast verbruiken al die opgeslagen data natuurlijk ook heel veel stroom en de kans is groot dat we ook daar binnenkort tegen de natuurlijke grenzen aan lopen. En tenslotte is er (voorlopig nog) wetgeving die de verwijdering / vernietiging van sommige data verplicht stelt. Er moet dus wel geselecteerd worden, maar anders.

Op hoofdlijnen ben ik het met bovenstaande analyse van Bailey eens, maar ik heb hier en daar mijn twijfels bij de oplossingen die hij voordraagt. In het boek formuleert hij tien principes waar een archiefsysteem 2.0 aan zou moeten voldoen (vertaling van Paul Ruigrok):

  1. Schaalbaar tot (bijna) in het oneindige.

  2. Volledig, met de potentie om alle aspecten van informatiemanagement door de gehele lifecycle te adresseren.

  3. Onafhankelijk van specifieke hardware, software of fysieke locatie.

  4. Uitbreidbaar en in staat om snel nieuwe prioriteiten en verantwoordelijkheden op te nemen.

  5. Potentieel toepasbaar op alle vastgelegde informatie.

  6. Proportioneel, flexibel en toepasbaar op verschillende niveaus van kwaliteit en details.

  7. Een waardevolle ervaring voor gebruikers met een positieve incentive om deel te nemen.

  8. Verkoopbaar aan eindgebruikers, beslissers en belangengroepen.

  9. Zelfkritisch en positief ten opzichte van uitdagingen en veranderingen.

  10. Acceptabel voor en gedreven door de recordsmanagementgemeenschap en haar deelnemers.

En wat betekenen deze principers voor classificatie en selectie?
Bailey stelt dat de recordsmanager voor beide problemen gebruik kan maken van "the crowd". Voor classificatie zou dat betekenen dat er een soort 'corporate Delicious' zou komen, die mensen in staat stelt om alles wat ze in 'the cloud' plaatsen, toch op één 'centrale' plek kunnen taggen.
Voor selectie denkt hij aan het gebruiken van een soort User Voice-systeem waarbij gebruikers bijvoorbeeld kunnen aangeven of informatie voor hun interessant of relevant was en of deze (daarom) nog 12 maanden bewaard moet blijven.
Hoewel ik de logica achter deze voorstellen snap, voorzie ik één probleem en dat is schaalgrootte, of eigenlijk het gebrek daar aan.
Tags en systemen als User Voice werken optimaal als heel veel mensen actief mee doen. Pas dan worden de 'extremen' afgezwakt door de grote massa. Als vijfentachtig mensen zeggen dat iets een brommer is, tien zeggen fiets en vijf snorfiets, dan zal het wel een brommer zijn. Maar, als slechts vijf mensen een tag toevoegen en twee zeggen fiets, twee zeggen snorfiets en één zegt fiets, dan kun je op basis daarvan niet goed vaststellen welke van de drie het is. (Ik schreef hier al eerder over)
Maar in welke organisatie wordt één specifieke stukje informatie door meer dan vijf tot tien mensen 'behandeld' en dus getagd of gewaardeerd? Hoe effectief is een dergelijke oplossing dan?

Een ander punt waar ik toch moeite mee heb, is het loslaten van het onderscheid tussen 'record' en 'information'. Preciezer geformuleerd: het loslaten van de relatie tussen werkproces en archiefstuk en archiefstukken onderling. Bailey lijkt in het hele boek de relatie tussen archiefstuk en werkproces negeren. Hij gaat er niet van uit dat vanuit een werkproces bepaald wordt of informatie aan dat procesgebonden is of niet (en dus wel of geen archiefstuk is). In de plaats daarvan kiest hij voor het uitgangspunt dat alle vastgelegde informatie de potentie heeft om van belang te zijn en dus ook als zodanig behandeld moet worden. Voorlopig zie ik hiervan nog niet de voordelen in, maar misschien ben ik op dit punt te ouderwets en moet ik mijn Archiefschool-bril op dit punt bijstellen.

Overigens schreef James Lappin afgelopen week ook min of meer over dit onderscheid tussen "alle informatie" en een "dossier":

"[Organisarions] are not able to maintain good files across all areas of work. The concept of a file/records folder feels like an old-fashioned concept, a legacy from the hard-copy world of decades gone by. And yet organisations still need some means of relating together the records (however defined!) of a piece of work and managing them over time.
If the file/records folder was invented today, from scratch, with no history or legacy, what features would it have?"

Maken deze kritiekpunten op Managing the crowd het tot een slecht boek?
Nee, in tegendeel, Bailey maakt zelf van meet af aan duidelijk dat hij niet 'de' oplossingen heeft, maar dat hij vooral wil aanzetten tot nadenken:

"You may disagree with some of the solutions proposed in this book - perhaps even all of them - but if at the end of it you have been stirred into thinking of just one other approach that might be worth consideration it will have served its purpose."(p.XIX)

En om die reden alleen al, zouden alle archivarissen, recordsmanagers, DIV-ers of hoe ze zich allemaal noemen, dit boek moeten lezen. Want:


Deze blog werd mede mogelijk gemaakt door @janaca en @elchido

maandag 1 maart 2010

Daniel Defoe - The life and strange adventures of Robinson Crusoe

Bijna driehonderd jaar geleden verscheen dit boek en hoewel bijna niemand het gelezen heeft, kent iedereen het verhaal van "Robinson Crusowee" op zijn eiland.
Ik las het een jaar of zestien geleden voor het eerst (zie beneden) en heb het deze winter, juist toen we bijna insneeuwden, nog maar eens gelezen.
Twee dingen vielen me nu op.
Allereerst hoe leesbaar een Engels boek uit 1719 is. Natuurlijk de spelling is in mijn editie iets aangepast, maar het taalgebruik en de zinsbouw zijn heel begrijpelijk. Ik heb de indruk dat het Nederlandse proza uit die tijd, mede door alle spellingshervormingen minder begrijpelijk is.
Iets anders wat me nu opviel, en dat ik me niet van de eerste lezing kan herinneren, is eigenlijk maar een detail. Robinson redt op een gegeven moment een "wilde", de beroemde Vrijdag. Een paar jaar later redden Vrijdag en Robinson een stel Spanjaarden en nog een "wilde". Die laatste blijkt toevallig de vader van Vrijdag en vader zijn zoon zijn dolgelukkig dat ze elkaar weer hervonden hebben.
Weer een paar maanden later gaat Vrijdags vader met de twee Spanjaarden terug naar het vasteland. Hun doel is om nog wat op het vasteland gestrande Spanjaarden op te halen. En dan komt het rare. In de tijd dat Vrijdags vader weg is, landt er een Engels schip op het eiland en na nog wat verwikkelingen vertrekken Robinson en Vrijdag met dit schip naar Europa. En over de vader van Vrijdag wordt met geen woord meer gerept! Vond ik vreemd.

In 1994 las ik het boek trouwens voor een Letterkunde-college over Robinsonades. Hieronder de notitie die ik destijds met Frédérique de Muij hierover schreef:
Robinson en de Robinsonades
Het bijzondere lettertype en de rare paginanummering is een voorbeeld van 'digitaal verval.' De notitie was in Word 95-formaat en dit is een residue van conversie en migratie.

woensdag 27 januari 2010

Invisible - Paul Auster

Ondanks dat Invisible enkele cliché-elementen bevat, is het wel intrigerend. Het eerste hoofdstuk (Spring) bestaat uit bijna clichématige oude-mannen-memoires, waarin een zestigjarige man een traumatische gebeurtenis uit zijn jeugd in 1967 beschrijft.
In het tweede hoofdstuk blijkt, weer een cliché, dat het eerste hoofdstuk een manuscript is dat de ik-figuur (Adam Walker) heeft gestuurd naar zijn oude studiegenoot en ondertussen beroemd schrijver (Jim Freeman). Ze spreken af elkaar te ontmoeten maar nog daarvoor stuurt Walker het tweede hoofdstuk van zijn roman (Summer) op.
Dat hoofdstuk is al minder clichématig, want beschrijft in de tweede persoon enkelvoud de zomer van 1967, waarin Adam Walker een paar maanden samenwoonde met zijn zuster.
In het blijkt dat de ontmoeting tussen Walker en Freeman niet doorgaat, doordat Walker vlak voor hun afspraak sterft (weer een cliché). Maar, hij heeft zijn aantekeningen voor het derde hoofdstuk (Fall) achtergelaten voor Freeman, met het verzoek of hij de volledige roman wil uitgeven. Freeman schrijft dan op basis van de aantekeningen in de derde persoon enkelvoud over Walkers korte verblijf in Parijs in de herfst van 1967.
Ondertussen schrijft Freeman ook dat hij contact heeft gehad met Walkers zuster en dat zij heel andere herinneringen heeft aan de tijd dat ze met haar broer samenwoonde (vooral met veel minder seks). En Freeman vindt de vrouw waar Walker in Parijs veel contact mee had. Het laatste hoofdstuk is een passage uit haar dagboek.

Het intrigerende zit vooral in de verschillende perspectieven. Aan de ene kant van ik naar jij naar hij en aan de andere kant de verschillende personages die "hun" kijk geven op dezelfde gebeurtenis. Ik schrijf hier "hun" tussen aanhalingstekens, omdat Auster ook benadrukt dat het om een roman, om fictie gaat. Ergens staat expliciet dat Adam Walker niet Adam Walker heet en dat Freeman niet Freeman heet. En uiteraard is Auster de 'echte' auteur. Doet een beetje denken aan Magritte:

En ik hou wel van dat soort 'spelletjes.'

Waar ik nog niet helemaal uit ben is waarom het boek Invisible heet. Misschien is de boodschap dat je het handelen en de motieven van iemand altijd alleen vanuit je eigen perspectief interpreteert, maar dat wat er "echt" gebeurt altijd onzichtbaar blijft achter de reconstructie die iedereen er voor zich zelf van maakt. Zelfs het samenvoegen van al die reconstructies lost dat niet op. Zoals ik al zei: intrigerend.

Luister hier naar het begin van de roman, voorgelezen door Auster zelf.