Posts tonen met het label **. Alle posts tonen
Posts tonen met het label **. Alle posts tonen

maandag 21 mei 2012

Gelezen: D. Tokmetzis - De digitale schaduw

Je digitale schaduw, zo noemt Tokmetzis alle gegevens die her en der over je worden vastgelegd: de OV-Chipkaart, de AH-Bonuskaart, de vingerafdrukken voor je identiteitsbewijs, de GBA, Elektronisch Kinddossier, cameratoezicht enzovoort enzoverder. Op de website die bij het boek hoort, zegt hij het zo:
We maken ons zorgen om onze privacy: de Elektronische Patientendossiers, het rekeningrijden, de OV-chipkaart, de centrale databank met gezichtsscans en vingerafdrukken, alom aanwezig cameratoezicht, het monitoren en aftappen van internet- en telefoonverkeer, enzovoort, enzovoort.
In deze informatiemaatschappij hebben we meer te verliezen dan privacy alleen, namelijk ook individuele keuzevrijheid en gelijkheid in levenskansen.
Onze digitale gegevens worden continu door anderen gebruikt en verwerkt in risico- en klantprofielen. We worden in categorieen ingedeeld met mensen die op ons lijken. Die categorieen vertegenwoordigen verschillende niveaus van burgerschap, risico, nut of geldelijke waarde. Ze bepalen in welke mate we extra in de gaten gehouden worden, of we ergens wel of niet mogen komen, of we ons kunnen verzekeren en tegen welke voorwaarden en of we in aanmerking komen voor een hypotheek of lening.
Dat klinkt interessant, maar helaas valt het boek eigenlijk nog al tegen. Dat ligt niet zozeer aan de stilistische onevenwichtigheid - de ene keer wordt de lezer met "je" aangesproken, dan opeens met "u" en ook "wij" ontbreekt niet - of aan het gebrek aan bronverwijzingen - hij citeert uit en verwijst naar van alles, maar zonder precieze bronvermeldingen. Het laatste hoofdstuk is ook geen "literatuurlijst", maar "Aanbevolen literatuur."
Het boek valt tegen omdat de inhoud geen €15,- waard is. Arrogant gezegd: ik had het boek zelf kunnen schrijven.
Tokmetzis begint het boek met het verhaal van Ron Kowsolea, maar dat had net zo goed het verhaal van Steven Romet waar ik  eind vorige maand over schreef kunnen zijn. Verder schrijft hij over @migo-boras, klantenkaarten en aangepaste advertenties - waarbij hij niet naar Target verwijst - zegt hij iets over What they know, super-cookies en uiteraard het rapport iOverheid van de WRR. Hij stipt kort de gevolgen van gezichtsherkenning en de geplande nieuwe Europese richtlijn aan.
Maar hij zegt nauwelijks iets over allerlei andere dingen, zoals de toezichtscatalogus of Backdoors en Bundestrojaner. Het boekje van Trojanow en Zeh en Delete van Viktor Mayer-Schönberger lijkt hij niet gelezen te hebben.
Het slothoofdstuk, dat omineus Overleven in de informatiemaatschappij heet, pretendeert te beschrijven hoe we er voor kunnen zorgen dat het allemaal nog goed komt. Maar het is niet meer dan een samenvatting van de eerdere hoofdstukken en de enige echte tip waar je individueel iets aan kunt doen is: "Vraag wat bedrijven met je gegevens doen, voordat je ze afgeeft." Tja...

Met andere woorden, als je wil weten hoe je digitale schaduw er uit kan zien, waar hij voor gebruikt kan worden en hoe dataminers en profilering werken, dan kun je toch beter Broken Window van Deaver lezen. Soms is de kunst beter dan de (populaire) wetenschap.

Gerelateerd
Alle links hierboven, met uitzondering van "website," "geen €15,- waard" en "verhaal van Ron Kowsolea" verwijzen naar gerelateerde berichten op dit weblog.

zondag 10 april 2011

Gelezen: Umberto Eco - De begraafplaats van Praag

Dit is dan toch de laatste roman van Eco die ik gelezen heb, denk ik.
De naam van de roos vond ik geweldig toen ik het de eerste keer las. Bij herlezing viel het een beetje tegen. Het eiland van de vorige dag was al minder, want inconsequent. Baudolino kon ik wel om lachen, maar van het verhaal kan ik me niet zo veel herinneren. Van De slinger van Foucault staat me nog wel iets bij, maar ook niet meer zo heel veel. De mysterieuze vlam van koningin Loana, was vooral saai oudemannenproza. En De begraafplaats van Praag heb ik niet eens uitgelezen. De laatste 25 pagina's heb ik gelaten voor wat ze zijn. Simonini kan me gestolen worden, samen met zijn anti-semitisme, vrijmetselaars, vervalsingen, spionnen, satanisten, zwarte missen enzovoorts en zo verder...
Uit de recensie van Pieter Steinz in de NRC begrijp ik dat Eco het tegen de Dan Browns op wil nemen. Daar kan ik niets over zeggen, omdat ik van Brown niets gelezen heb. Ik moest steeds aan Monaldi & Sorti denken. Zij schrijven misschien met minder literaire verwijzingen en zijn meer op "het effect" uit, maar dat betekent ook dat hun boeken onderhoudender zijn dan dit.
En hoewel ik hou van een boek met plaatjes, die kunnen deze roman ook niet redden.

Gelezen tussen 19/03/2011 en 08/04/2011

zondag 30 januari 2011

Gelezen: Jonathan Safran Foer - Tree of Codes

Afgelopen week heb ik geprobeerd Tree of codes van Jonathan Safran Foer te lezen, maar nog voor ik op de helft was heb ik het opgegeven.
Tree of codes is een bijzonder boek, omdat het letterlijk een uitgebeende versie is van een ander boek: Street of Crocodiles van Bruno Schulz. Safran Foer heeft geprobeerd een nieuw verhaal te maken door passages uit de bestaande verhalen van Schulz weg te snijden, zodat de resterende woorden en leestekens nieuwe zinnen opleveren. In de toelichting maakt Safran Foer een soort vergelijking met was het niet Da Vinci Michelangelo (dank je Mmmieke), die zei dat het beeld al in de steen zit en dat hij het er alleen maar uit hoeft te halen.
In het boek zijn de verwijderde passages letterlijk weggesneden, je kunt door de pagina's heenkijken.
In een toelichting achterin het boek vertelt Safran Foer dat hij altijd al op deze manier een boek had willen maken en dat Street of Crocodiles het ultieme boek was. Aan de ene kant omdat het zijn favoriete boek is, aan de andere kant omdat van Schulz maar twee verhalenbundels overgeleverd zijn. Hijzelf is tijdens de Tweede Wereldoorlog vermoord en de rest van zijn literaire nalatenschap is vernietigd.
Het probleem is een beetje dat die transparante pagina's je steeds laten zoeken naar het volgende woord dat je moet lezen. Dit zou nog op te lossen zijn door steeds een blaadje papier te leggen achter de pagina die je aan het lezen bent, maar dan blijf je nog zitten met het probleem van de leestekens en hoofdletters. Vooral door dit boek heb ik ervaren hoeveel 'leessturing' er zit in kleine details als hoofdletters, komma's en punten. In Tree of Codes begint niet iedere zin met een hoofdletter en eindigt niet iedere zin met een punt. Ook dat maakt dat je steeds moet zoeken naar wat je eigenlijk leest. En dit alles maakt dat het 'verhaal' eigenlijk niet te genieten is. Het zijn nu en dan mooie zinnen, die wel enige verband met elkaar hebben (iets met een jongetje en zijn moeder...), maar daar houdt het ook op.
Het boek zet duidelijk wel aan tot nadenken: over lezen en leestekens, maar ook over vertalen. Safran Foer heeft bij het maken van zijn boek gebruik gemaakt van een Engelse vertaling van Street of Crocodiles, dat eigenlijk in het Pools is verschenen. Stel nu dat je een Nederlandse vertaling van Tree of Codes wil maken, waar ga je dan van uit? Of is dit letterlijk een onvertaalbaar boek?

Een vergelijkbaar procedé, maar fysiek leesbaarder, is trouwens wat Austin Kleon doet in zijn Newspaper Blackout Poems:
Gerelateerd
Bijzonder boek: Tree of Codes van Jonathan Safran Foer
Onderlands - Paul Bogaers

Het filmpje komt van The Guardian het plaatje is van Austin Kleon

Gelezen op 18/01/2011

zondag 23 januari 2011

Gelezen: Jonathan Franzen - Freedom

Laat ik met de deur in huis vallen: ik vond er niet veel aan. Maar ik weet niet precies waarom niet. Het verhaal is heel erg Amerikaans, met college-basketball, Republicans, Liberals en nog zo wat parafernalia. Maar dat alleen is niet genoeg reden om het een oninteressant boek te vinden.
Aan de verteltechniek ligt het eigenlijk ook niet. Franzen weet wel hoe je een boek moet opbouwen, hoe je flash-backs moet schrijven en welke informatie je wanneer moet 'vertellen'. Maar toch...
De personages konden me eigenlijk gestolen worden. Er gebeuren nog al wat verschrikkelijke dingen, allerlei dromen vallen in duigen, huwelijken lopen op de klippen, er sterven mensen, een zestienjarige zoon gaat bij de buren wonen omdat hij een relatie heeft met het veertienjarige buurmeisje, een geliefde verongelukt, maar het doet me niets. Zelfs na meer dan 500 pagina's lief en leed interesseren Patty en Walter en hun kinderen Joey en Jessica en 'huisvriend' rockster Richard me geen biet. Op de een of andere manieren blijven het marionetten in het spel van Franzen.
De 'boodschap' (voor zover een roman een boodschap heeft) van Franzen is me ook niet duidelijk. Iedereen klooit maar wat aan, maar uiteindelijk wordt je toch wel gelukkig? (Het eind was sprookjesachtig in negatieve zin: "En ze leefden nog lang en gelukkig...") Ik weet het niet hoor...
En waarom wordt die roman zo opgehemeld in de recensies (Parool, Humo, Trouw)? De NRC weidde zelfs een hele serie aan thema's die in meer of mindere mate gerelateerd zijn aan het boek. Misschien is het toch een leeftijd-ding... En waarschijnlijk heeft het ook iets te maken met wat Tim Parks gisteren in de NRC schreef over vertalingen en internationale literatuur:
Tegenwoordig kan een eerste concept, een eerste hoofdstuk van Jonathan Franzen wereldwijd naar een reeks uitgevers ge-e-maild worden. Het boek kan vertaald worden terwijl er nog aan geschreven wordt en daarna tegelijkertijd in even zoveel landen uitgegeven worden, ondersteund door een internationale reclamecampagne die te vergelijken is met die voor het lanceren van nieuwe elektronische gadgets.
En als Franzen desondanks in een traditionele stijl blijft schrijven en zich grotendeels tot een Amerikaans lezerspubliek richt, waarbij hij elk aspect van het Amerikaanse leven nauwkeurig en in detail beschrijft, gebeurt dat alleen omdat de aandacht van de wereld heel erg op Amerika is gericht. Ik heb in Milaan aan de universiteit een onderzoek geleid, waarbij we de artikelen in grote kranten die gewijd waren aan Italiaanse schrijvers, Amerikaanse schrijvers en schrijvers uit andere landen met elkaar hebben vergeleken. Amerika krijgt daarin onevenredig veel ruimte toebedeeld. De Amerikaan hoeft, meer nog dan de Engelsman, de Fransman of de Duitser, niets te doen om aanspraak te maken op internationale aandacht.


Gelezen tussen 29/12/2010 en 16/01/2011

zondag 21 november 2010

Gelezen: Jacoba van Velde - De grote zaal

Dit jaar deelden de Openbare Bibliotheken voor de vijfde keer een boek uit. Na vier boeken die ik allemaal al kende (Dubbelspel, De gelukkige klas, Twee Vrouwen en Oeroeg) deze keer een boek van een mij volstrekt onbekende schrijver: De grote zaal van Jacoba van Velde. En eerlijk gezegd: ik vond er ook niet veel aan. Het verhaal gaat over een 72-jarige weduwe die in de jaren vijftig na een 'attaque' terecht komt in rusthuis. Vanuit haar perspectief en dat van haar vrijgevochten, in Parijs wonende dochter worden haar aftakeling en de 'gemeenschap van oude vrouwen' in het rusthuis beschreven. En hoe treurig en pijnlijk dat misschien ook het, het gaat ongeveer zoals je verwacht: dementie, afgunst, verdriet...
Rosita Steenbeek schrijft in een lofrede die achterin het boekje is afgedrukt (maar die vreemd genoeg niet hier te vinden is), dat ze het schandalig vindt dat ze tijdens haar studie Nederlandse Taal- en Letterkunde nooit van Van Velde of dit boekje gehoord heeft. Ik heb haar niet gemist hoor...

Gelezen tussen 15/11/2010 en 19/11/2010

zondag 20 juni 2010

Het vijfde zegel van Simon Vestdijk


Al een tijdje geleden uitgelezen, maar nog geen tijd gehad om er eerder over te bloggen. Misschien is het beter om te zeggen dat ik nog niet eerder tijd had gemaakt om er over te schrijven. Het boek viel me een beetje tegen. Aan de ene kant omdat het me al redelijk snel duizelde van de Spanjaarden, Aragonezen, Portugezen, Jezuïeten, Dominicanen en Franciscanen. Aan de andere kant omdat is het me te veel kunsttheorie en theologische scherpslijperij.
Het boek begint op het moment dat El Greco het hiernaast afgebeelde schilderij ("De heilige Mauritius") gaat tevergeefs gaat aanbieden aan Filips II. Filips accepteert het schilderij niet, waarschijnlijk omdat hij het blasfemisch vindt. Daarna wordt El Greco in zijn eigen huis door twee verschillende mensen bespioneerd met het doel hem door de Inquisitie te laten arresteren. Uiteindelijk wordt hij ook ondervraagd door een corrupte Inquisiteur. En alleen omdat deze vermoord wordt, komt het niet tot een echte ´zaak.´ De manier waarop het verraad door de twee vrienden van El Greco beschreven wordt, is wel ijzingwekkend en de ondervraging door de inquisiteur is ook wel spannend.
Tussendoor komen trouwens ook nog een paar Portugezen en Aragonezen langs die van plan zijn Filips te vermoorden als hij in Toledo is. Uiteindelijk lukt dat niet, om allerlei redenen.

Maar de schilderijen van El Greco zijn wel bijzonder, dit is het schilderij waar het boek naar vernoemd is.

zondag 28 maart 2010

De Archivaris - Martha Cooley

Ik vond het niks en dat is niet omdat het helemaal niet over een archivaris, maar over een bibliothecaris gaat.
Allereerst staan er verschrikkelijk lelijke zinnen in het boek, maar dat kan ook aan de vertaling liggen. (Wat zeker aan de vertaler ligt is dat het op een gegeven moment over New York als "de hoofdstad" gaat, of staat in het origineel echt "the capital"?)
Als het verhaal nou interessant was, zou die stijl nog niet zo erg zijn. (Pieter Steinz van de NRC beschreef die stijl trouwens als "poetisch (...) zonder zweverig te worden.")
Maar de thema's van de roman boeien me ook niet zo. Allereerst is speelt de poëzie van T.S. Elliot een grote rol. Behalve de titel van één gedicht, weet ik daar verder niets van, maar Cooley heeft me er ook niet 'warm' voor gemaakt. Een ander cruciaal thema van de roman zijn de verschillen tussen het Judaisme en Christendom ten aanzien van schuld, boete en verlossing. Aangezien ik echt helemaal geen religieus gevoel heb en religie vooral als cultuur en 'verhalen' interessant vind, ging deze fijnslijperij helemaal aan me voorbij.
Tenslotte werd "schuld en boete" uitgelegd aan de hand van de Tweede Wereldoorlog en om de een of andere reden, zat me dat vooral in het eerste deel niet lekker.
En uiteindelijk is de ontknoping ook nog heel voor de hand liggend en volledig uitgespeld.

Wat ik wel verbazingwekkend vind, is dat het Cooley blijkbaar heel veel moeite heeft gekost om de dichtregels van Eliot in haar roman te mogen gebruiken. Uit datzelfde stuk van Steinz:
Cooley vertelt dat het haar veel moeite heeft gekost om het recht te krijgen om dichtregels van Eliot ('geen leuk mens, maar wat een dichter') in haar boek te citeren. Ze werd van het kastje naar de muur gestuurd, vooral omdat het copyright op het werk van Eliot - in Amerika geboren en in 1927 tot Engelsman genaturaliseerd - in twee landen lag. 'Uiteindelijk mocht ik negentig regels gebruiken. Dat waren er minder dan in mijn manuscript, dus moest ik schrappen. Onnodig te zeggen dat het daardoor een beter boek is geworden; de personages citeerden misschien wel erg veel uit 'The Waste Land' en 'Four Quartets'.'

En de laatste regels uit dat stukje vind ik als archivaris dan weer amusant (maar let op de clou wordt er in verraden):
'Nee, van de T.S. Eliot-societies in de wereld heb ik geen protesten gehoord. Wel van de belangenvereniging voor archivarissen. In een discussiegroep op het Internet werd bezwaar gemaakt tegen het feit dat ik Matt de verboden brieven laat lezen en vernietigen. Dat zou een echte archivaris nooit doen!'

donderdag 14 januari 2010

Authenticiteit?

In de Kerstvakantie las ik op aanraden van een collega De toekomst van het verleden van Alexander Stille. Omdat ik wat gemengde gevoelens bij het boek had, was ik eigenlijk niet van plan er hier over te schrijven. De stijl van Stille staat me niet zo aan, het is een echt 'Amerikaans journalistieke stijl' en hoewel Stille heel veel verschillende onderwerpen bespreekt, van de Sfinx in Gizeh tot natuurbescherming op Madagaskar en het Latijn in het moderne Rome, is het toch veel van hetzelfde. Alle mensen die hij beschrijft zijn monomaan, excentriek en voeren eigenlijk een verloren strijd. Na acht van de elf hoofdstukken had ik er genoeg van en heb ik het dichtgeslagen en opzij gelegd.

Gisteren, terwijl ik bezig was met het beantwoorden van diverse vragen over archiefwettelijke vervanging, moest ik desondanks toch aan een hoofdstuk uit het boek denken. Één van de aspecten die bij vervanging een belangrijke rol spelen is de vraag hoe authentiek een (digitale) reproductie is. En dan ging het gisteren eigenlijk niet eens om de juridische authenticiteit ("Dit document is wat het zegt te zijn"), maar meer om de 'historische sensatie' van een origineel document.

In sommige gevallen hebben archiefstukken een museale waarde: ze zijn het op grond van esthetische of historische gronden waard om getoond te worden. Daarnaast kunnen archiefstukken tijdens exposities gebruikt worden om bepaalde zaken toe te lichten. Zo kan een bouwtekening van een (gebombardeerde) brug een heldere illustratie zijn van een niet meer bestaande situatie. Wij vinden het in zo'n geval heel belangrijk om 'het origineel' te tonen en in sommige gevallen leidt dit tot de beslissing om bepaalde documenten niet te vervangen.

In het tweede hoofdstuk van zijn boek (De cultuur van de kopie en de teloorgang van het Chinese verleden) beschrijft Stille dat er in China en Japan een andere opvatting over oud en authentiek gehanteerd wordt dan in 'het Westen'. Het bekendste voorbeeld daarvan is misschien wel de Japanse Ise-schrijn, waarvan hieronder een bouwtekening staat afgebeeld.
Deze tempel uit de zevende eeuw na Christus wordt om de twintig jaar ritueel verwoest en daarna weer opgebouwd. Ik stelde me dat altijd als een soort Ikea-bouwpakket of een puzzel voor, maar begrijp nu dat hij echt verwoest wordt en daarna met nieuw hout wordt opgebouwd.
"In de ogen van de Japanners is de tempel dertien eeuwen oud, hoewel geen enkel onderdeel ouder is dan twintig jaar. Westerse kunsthistorici weten niet wat ze hiermee aan moeten. De Unesco heeft dan ook na heftige discussies besloten om de Ise-schrijn en vele andere beroemde Japanse monumentale bouwwerken van de lijst van werelderfgoed te schrappen. De motivatie luidde dat deze gebouwen niet echt oud of authentiek zijn."
(De toekomst van het verleden, p,64-65)

Daarna beschrijft Stille dat er in het Chinees twee verschillende woorden voor kopiëren zijn: Fang Zhipin, wat ongeveer gelijk staat aan ons begrip reproductie en Fu Zhipin wat een reproductie van zeer hoogwaardige kwaliteit is, die het waard is om bestudeerd te worden. Het blijkt dat in heel veel gevallen Fu Zhipin tentoongesteld worden, maar dat dit op het oog bijna niet vast te stellen is.

Nu vraag ik me af: Zouden wij voor archiefbescheiden die we willen tentoonstellen niet ook altijd Fu Zhipin moeten maken?

dinsdag 24 november 2009

Nabokov - Lolita - Pera

Sommige boeken zijn 'te groot' om te lezen. Ze hebben zo'n geschiedenis als meesterwerk, dat ik er tegenop zie om er in te beginnen. Ulysses, To the lighthouse of Madame Bovary heb ik lange tijd gemeden.
Lolita is ook zo'n boek. In 1997 zag ik de verfilming door Adrian Lyne (en behalve de tuinslang-scene kan ik me daar eigenlijk amper iets van herinneren), maar aan het boek heb ik nooit durven beginnen.
Totdat ik een paar weken geleden toevallig een column van Aleid Truijens las over de arrestatie van Roman Polanski.
Ik had eerder al gehoord en gelezen over Lolita strikes back maar was auteur en titel vergeten. Naar aanleiding van de column heb ik Lolita en Het dagboek van Lo op Boekwinkeltjes besteld en na elkaar gelezen.
Lolita viel eigenlijk tegen. De hunkering in het eerste deel was knap weergegeven en ondanks de weerzin die Humbert Humbert in het tweede deel opwekt, blijft hij sympathiek. Maar ik was blij dat ik het uit had
Het dagboek van Lo is echt geen meesterwerk, stijl rammelt en Lo wordt er alleen maar een vervelend meisje in. (Niet dat ze daarom ontvoerd mag worden hoor...)
Maar eigenlijk wil ik aan beide boeken weinig woorden vuil maken. Je moet soms minder goede boeken lezen om de goede boeken te kunnen waarderen.

zaterdag 20 juni 2009

Dief van de tijd - John Boyne

John Boyne werd een paar jaar geleden wereldberoemd met The boy in the striped pyjama's over het zoontje van de directeur van Auschwitz. Deze korte roman (bijna een novelle) maakt een verpletterende indruk. Bij nader inzien staan er enkele ongerijmdheden in, maar doordat het verhaal meeslepend geschreven is, vallen die niet zo op. 
Helaas is dat in Dief van de tijd niet het geval. Doordat het boek een stuk dikker is en veel minder spannend, vallen de rariteiten veel meer op. 
De roman is het levensverhaal van Matthieu Zéla, dat doordat hij onsterfelijk is, wat langer is dan normaal. Hij is in 1743 geboren en vanaf ongeveer 1795 fysiek niet ouder geworden. In 1999, als hij zijn leven boekstaaft, is hij dus al 256 oud en uiteraard heeft hij bijna alle belangrijke gebeurtenissen in Europa en Amerika meegemaakt: onthoofding van Robespierre in 1794, eerste Wereldtentoonstelling in London in 1851, beurskrach in New York in 1929, een relatie met een ex van Charlie Chaplin en de kruistocht van McCarthy in Hollywood in de jaren vijftig van deze eeuw. Maar deze avonturen komen niet verder dan anekdotes.
De twee belangrijkste verhalen zijn aan de ene kant de dood van zijn eerste liefde in 1760 en de aanstaande geboorte van zijn achter- achter- achternicht, met alle gevolgen van dien. Maar dat duurt allemaal zo lang en gaat allemaal zo traag, dat je je dingen gaat afvragen als: welke geboortedatum staat in die man zijn paspoort? En is hij ook verzekerd tegen ziektekosten? En bij welke bank staat zijn geld? Want niemand weet blijkbaar dat hij maar niet dood gaat en al 12 keer getrouwd is geweest.

Al met al was ik blij dat ik het vandaag uit had. In mijn leeslijst (waarover bij ding 18 meer) krijgt Dief van de tijd maar twee sterren (uit een maximum van vijf). En ik geloof niet dat ik nog eens iets van Boyne ga lezen.


PS Dit is ook nog eens een test, want ik heb deze tekst in Google Docs geschreven en van daar uit rechtstreeks op deze weblog gepubliceerd. Dat jullie het kunnen lezen bewijst dus dat het werkt.