zondag 28 maart 2010

De Archivaris - Martha Cooley

Ik vond het niks en dat is niet omdat het helemaal niet over een archivaris, maar over een bibliothecaris gaat.
Allereerst staan er verschrikkelijk lelijke zinnen in het boek, maar dat kan ook aan de vertaling liggen. (Wat zeker aan de vertaler ligt is dat het op een gegeven moment over New York als "de hoofdstad" gaat, of staat in het origineel echt "the capital"?)
Als het verhaal nou interessant was, zou die stijl nog niet zo erg zijn. (Pieter Steinz van de NRC beschreef die stijl trouwens als "poetisch (...) zonder zweverig te worden.")
Maar de thema's van de roman boeien me ook niet zo. Allereerst is speelt de poëzie van T.S. Elliot een grote rol. Behalve de titel van één gedicht, weet ik daar verder niets van, maar Cooley heeft me er ook niet 'warm' voor gemaakt. Een ander cruciaal thema van de roman zijn de verschillen tussen het Judaisme en Christendom ten aanzien van schuld, boete en verlossing. Aangezien ik echt helemaal geen religieus gevoel heb en religie vooral als cultuur en 'verhalen' interessant vind, ging deze fijnslijperij helemaal aan me voorbij.
Tenslotte werd "schuld en boete" uitgelegd aan de hand van de Tweede Wereldoorlog en om de een of andere reden, zat me dat vooral in het eerste deel niet lekker.
En uiteindelijk is de ontknoping ook nog heel voor de hand liggend en volledig uitgespeld.

Wat ik wel verbazingwekkend vind, is dat het Cooley blijkbaar heel veel moeite heeft gekost om de dichtregels van Eliot in haar roman te mogen gebruiken. Uit datzelfde stuk van Steinz:
Cooley vertelt dat het haar veel moeite heeft gekost om het recht te krijgen om dichtregels van Eliot ('geen leuk mens, maar wat een dichter') in haar boek te citeren. Ze werd van het kastje naar de muur gestuurd, vooral omdat het copyright op het werk van Eliot - in Amerika geboren en in 1927 tot Engelsman genaturaliseerd - in twee landen lag. 'Uiteindelijk mocht ik negentig regels gebruiken. Dat waren er minder dan in mijn manuscript, dus moest ik schrappen. Onnodig te zeggen dat het daardoor een beter boek is geworden; de personages citeerden misschien wel erg veel uit 'The Waste Land' en 'Four Quartets'.'

En de laatste regels uit dat stukje vind ik als archivaris dan weer amusant (maar let op de clou wordt er in verraden):
'Nee, van de T.S. Eliot-societies in de wereld heb ik geen protesten gehoord. Wel van de belangenvereniging voor archivarissen. In een discussiegroep op het Internet werd bezwaar gemaakt tegen het feit dat ik Matt de verboden brieven laat lezen en vernietigen. Dat zou een echte archivaris nooit doen!'

zondag 21 maart 2010

Concurrentie op het spoor

Vandaag vertelde iemand me een verhaal dat ik pas na drie keer snapte. Ik ga nu proberen om het in een keer uit te leggen:

Sinds een paar jaar rijdt de intercity van de NS van Alkmaar naar Maastricht èn Heerlen. Het zijn dan twee of drie dubbeldekker-treinstellen (VIRM's, zoals hierboven) die in Sittard gesplitst worden in een trein naar Heerlen en een naar Maastricht. Mensen die in het verkeerde deel van de trein zitten (bijvoorbeeld omdat ze naar Heerlen moeten, maar in het treinstel naar Maastricht zitten) kunnen in Sittard rustig uitstappen en in de andere trein gaan zitten.
Sinds ongeveer diezelfde tijd rijdt de NS niet meer op het traject van Maastricht naar Heerlen. Dat wordt tegenwoordig verzorgd door Veolia.

Maar, dit weekend zijn er werkzaamheden tussen Sittard en Heerlen, waardoor de intercity's niet gesplitst worden in Sittard maar samen doorrijden naar Maastricht. Daar worden ze gesplitst: een treinstel blijft in Maastricht en het andere rijdt dan naar Heerlen.

En nu komt het:

Omdat het traject Maastricht - Heerlen van Veolia is, hebben de directies van NS en Veolia besloten dat de deuren van het treinstel naar Heerlen vanaf Sittard niet meer open mogen. De NS mag officieel geen mensen vervoeren tussen Maastricht en Heerlen.

Het gevolg hiervan was dat mensen die naar Maastricht moesten en per ongeluk in het treinstel voor Heerlen zaten, in Maastricht niet uit konden stappen: de deuren bleven dicht. Officieel moesten ze eerst mee naar Heerlen, dan van Heerlen weer terug naar Sittard (via Maastricht) en in Sittard weer overstappen op de intercity naar Maastricht! Of ze moesten in Heerlen een nieuw kaartje Heerlen - Maastricht kopen en met Veolia rijden.
En mensen die naar Heerlen moesten en in het treinstel voor Maastricht zaten, konden in Maastricht wel uitstappen, maar ze konden niet meer in de trein naar Heerlen stappen. Ook zij moesten eigenlijk weer terug naar Sittard en daar in het goede treinstel terug stappen, of een apart treinkaartje Maastricht - Heerlen kopen en met Veolia reizen.

Dit soort bureaucratische afspraken krijg je als conducteur of machinist de mensen toch niet uitgelegd?

vrijdag 19 maart 2010

Walter van den Broeck - Terug naar Walden

  • Steve Fosset stierf boven de Vlaamse Kempen bij een botsing tussen zijn vliegtuigje en een helikopter.
  • De kredietcrisis is veroorzaakt door de rijkste man van de wereld, die uit wraak besloot vlak voor zijn dood alles te verkopen.
  • Frederik van Eeden ging toch niet naar Amerika.
In Terug naar Walden klutst Walter van de Broeck de recente geschiedenis en literatuur weer mooi door elkaar. Nadat hij te horen heeft gekregen dat hij nog maar korte tijd te leven heeft, besluit Ruler Marsh dat het tijd is om zijn voornemen om wraak te nemen op de mensen die zijn familie ten gronde hebben gericht uit te voeren. Hij is de afgelopen jaren de aller-, aller-, allerrijkste man van de wereld geworden en op het moment dat hij zegt “Verkopen” stort de volledige wereldeconomie in elkaar. Hierop reist Marsh als een soort geroepene op de bonnefooi de wereld over, tot hij terecht komt in Wallem, het dorp waar zijn overgrootvader geboren is en waar zijn zoektocht eindigt.

Ik weet niet of de roman nu helemaal gelukt is of niet. Zo vond ik het eind te magisch. En ook de ‘vertelstem’ (focalisatie, in wetenschappelijk letterkundige termen) lijkt me niet helemaal consequent. In de beginhoofdstukken wordt Marsh vooral beschreven vanuit het perspectief van de buitenstaanders die hij ontmoet: een taxichauffeur, een stewardes, een prostituee. Dit heeft een bijzonder effect, dat een beetje doet denken aan films als Short Cuts van Robert Altman, waarin het leven van de een altijd verbonden is met het leven van anderen. Na verloop van tijd verdwijnt dit echter doordat het perspectief toch steeds meer naar Marsh verschuift. Dat is jammer.
Aan de andere kant, het boek is humoristisch, zit boordevol verwijzingen naar film, literatuur en actualiteit en mooie zinnen en Van den Broeck weet hoe hij een verhaal moet vertellen. Het is geen Beleg van Laken, maar beter dan zijn andere recente ‘niet-autobiografische’ boeken, zoals De Veilingmeester.

donderdag 18 maart 2010

De Mac van Rushdie

Op de Long Now Blog kwam ik vanmorgen een berichtje tegen over het digitaal archief van Salman Rushdie. Rushdie is "Distinguished Writer-in-Residence" aan de Emory University in Atlanta en hij heeft zijn hele archief aan de Universiteitsbibliotheek in bruikleen gegeven. Dat bestond naast aantekenboekjes, foto's, dagboeken, manuscripten ook uit "forty thousand files and eighteen gigabytes of data on a Mac desktop, three Mac laptops, and an external hard drive." Volgens Erika Farr, hoofd Born digital-initiatives van de bieb hebben ze bijna het volledige digitale leven van Rushdie van 1980 tot 2006.

Het mooie is dat Emory er naar streeft om de 'digitale omgeving' van Rushdie zo precies mogelijk na te maken:

While other universities have taken possession of digital archives, says Farr, almost none has attempted this full-immersion experience. “Most are offering discrete files,” she says. “We’re going to provide numerous points of access into Rushdie’s digital archive, including emulations of Rushdie’s computers and searchable databases of files pulled off of his computers. That’s why others are watching what we’re doing on this.”

In dit filmpje zie je hoe ze een van de Mac-omgevingen hebben geemuleerd en hoe de bestanden toegankelijk zijn:



Ik las trouwens ook dat je tijdens de expositie zelf kunt inloggen op de laptop van Rushdie en in een manuscript een zinnetje kunt toevoegen of corrigeren:

You even will be able to log on to a laptop as Sir Rushdie himself, tinkering with a sentence, adding an embellishment, or marking a particular spot of interest in a manuscript (don’t worry, these changes won’t register on the master file, which reverts back to the original text as soon as you log off).

Overigens heeft Rushdie een iPhone, twittert en blogt hij niet en reageert hij ook niet op Facebook-comments.

Wie zou de eerste Nederlandse auteur zijn, waarvan de digitale omgeving op een vergelijkbare manier toegankelijk wordt gemaakt? Marcel Möring, Arnon Grunberg, Tom Lanoye, Charlotte Mutsaers (die heeft een Ferrari-laptop)

zaterdag 13 maart 2010

Gelezen: Thomése en Chabon

Bij Thomése weet ik nog altijd niet of er meer is dan taal in zijn romans. Het verhaal van Vladiwostok is (net als in J. Kessels, the novel) volledig over the top. De belevenissen van een aankomend, veelbelovend politicus en zijn 'spin docter' zijn, in mijn ogen volstrekt ongeloofwaardig. Thomése spot wat met de leegheid van de politieke mannetjesmakerij en gooit er een beetje menselijk leed in de vorm van ongewenste kinderloosheid dorheen. Dat is allemaal niet zo spannend, maar de manier waarop Thomése de gedachtengangen van de twee mannelijke hoofdfiguren beschrijft, maken veel goed, maar niet genoeg: ***
In 1944 is Sherlock Holmes 89 en houdt hij bijen in een klein dorpje buiten Londen. The final solution is het laatste raadsel dat de beroemde speurneus op zal lossen: Wie heeft de papegaai Bruno gestolen van een zwijgend Joods jongetje dat uit Duitsland is gevlucht? Dat er bij die diefstal iemand vermoord is, is voor Holmes slechts bijzaak.
Chabon verbindt in deze novelle van amper 125 pagina's de 19e eeuw, met Indiase immigranten op het Engelse platteland en de Endlösing op een heel mooie, intelligente manier met elkaar. En uiteraard vind ik het intertekstuele spel prachtig. Alleen jammer dat hij het nodig vond, de oplossing in de laatste alinea volledig uit te spellen: ****

(Geschreven in een gehucht van drie straten in de Ardennen, op de laptop van mijn neefje)

donderdag 11 maart 2010

Virtueel door Meerssen rijden

Hoewel ik eigenlijk vanmorgen allerlei andere dingen gepland had om te doen, werd ik door Edwin afgeleid: heel Nederland staat in Street View. Dus ik heb vanochtend wat door mijn eigen dorp getoerd.
Uiteraard eerst gekeken of we er zelf ook op staan: nee, om bij ons te komen moet je bij de brievenbus het bergje op, en dat heeft de Google-auto niet gedaan:

Grotere kaart weergeven
(De brievenbus staat trouwens precies op de rand van twee foto's die niet naadloos aan elkaar geplakt zijn.)
In totaal zijn in Meerssen krap tien straten gefotografeerd, vooral de doorgaande wegen. Zo te zien zijn de foto's vorig jaar op een maandagochtend, tussen 11.00 en 11.30 uur gemaakt: De kledingwinkels zijn dicht, maar de Super De Boer en "Linda" zijn open. (En op de kerkklok in Meerssen-West is het 11:15).

Tot nu toe heb ik twee mensen herkend. Later nog eens goed bekijken en dan ook Ulestraten en Bunde maar eens inspecteren.

vrijdag 5 maart 2010

Managing the crowd - Steve Bailey #archief20

Archiefbescheiden:
1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door de overheidsorganen ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten;
De meeste mensen waar ik tijdens mijn inspectiebezoeken mee praat, kennen deze definitie uit artikel 1 van de Archiefwet. Sommige slimmeriken voegen daar dan ook nog de slogan Archief is procesgebonden informatie aan toe. Maar bij al die organisaties worden de databasesystemen die gebruikt worden voor het beheren van begraafplaatsen, het verstrekken van uitkeringen en bouwvergunningen of het betalen van facturen niet als archief gezien. Steve Bailey (twitter - weblog) schrijft hierover in Managing the crowd. Rethinking Records Management for the Web 2.0 World:

"As the range, complexity and volume of information platforms have increased in recent years, so we have been able to continue with our traditional activities, safe in the knowledge that, interesting as they may be, they do not create records and are not, therefore, our responsibility. We have already discussed some examples of this in in terms of our professional response (or lack of) to the rise of the internet. To varying degrees, the same could be said about e-mail, instant messaging, research data, relational databases ans line of business applications and now, of course, Web 2.0. All of these examples do, in some shape or form, have the capacity to create records, but somehow this has largely gone unnoticed. Rather than trying to push our professional relevance to each of these new technical trends at every possible opportunity, we seem to have done our best to run the other way." (p.61)

In zijn boek probeert Bailey geen oplossingen te zoeken voor deze databasesystemen, zijn doel ligt nog hoger: hij probeert te schetsen hoe een archiefsysteem (in de breedste zin van het woord) voor het archiveren van Web 2.0-uitingen er uit zou kunnen zien.
Hij focust zich hierbij vooral op appraisal en classification: selectie & waardering en ordening & classificatie.

Uitgangspunt bij het klassieke klasseren en ordenen is wat Bailey "Central Command & Control" noemt. Op één plek worden alle archiefstukken beschreven, geordend, toegankelijk gemaakt en bewaard. Om dit te realiseren maken organisaties gebruik van een centraal ordeningsplan, een voor alles en iedereen geldend metadataschema en organisatie-overkoepelende afspraken. Het probleem is dat deze generieke instrumenten naar hun aard nooit specifiek genoeg kunnen zijn voor individuele medewerkers en taken en dat het nog al omslachtig is om ze aan te passen aan nieuwe omstandigheden.
In dit verband wijst Bailey ook op de paradoxale situatie dat mensen op hun werk ongeveer weigeren om metadata aan informatie toe te voegen, terwijl ze in hun vrije tijd voor hun plezier wel foto's in Flickr, filmpjes in Youtube en webpagina's in Delicious taggen. Waarschijnlijk, stelt Bailey, hebben mensen het idee dat ze met taggen hun individualiteit kunnen tonen, terwijl het metadataschema van de organisatie er juist op gericht is om alle individualiteit zo veel mogelijk uit te bannen.
Een derde probleem van "Central Command & Control" is dat het in de digitale wereld en in de Web 2.0 wereld in het bijzonder, zo goed als onmogelijk is om alle informatie op één centrale plek te bewaren. Een kenmerk van Web 2.0 is juist dat informatie wijdverspreid op het web staat (in een blog, in Google Docs, op een webforum). De vraag is dus hoe je al die informatie centraal zou kunnen klasseren en toegankelijk maken.

Baileys opmerkingen over selectie en waardering sluiten hier bij aan. Hoe kun je uit die enorme hoeveelheid data vaststellen wat een archiefstuk is en wat niet? En hoe ga je daarna bewaartermijnen vaststellen?
Ik dacht eerst dat hij zou zeggen dat selectie en vernietiging in een digitale wereld niet meer nodig is, maar hij hanteert voor de vernietiging van digitale archieven eigenlijk dezelfde argumenten als voor analoge: ruimtegebrek en kosten. Het lijkt hem onwaarschijnlijk dat de Wet van Moore tot het oneindige door zal gaan, op een gegeven moment is het gewoon onmogelijk om nog meer componenten op een kleiner oppervlak te monteren. Daarnaast verbruiken al die opgeslagen data natuurlijk ook heel veel stroom en de kans is groot dat we ook daar binnenkort tegen de natuurlijke grenzen aan lopen. En tenslotte is er (voorlopig nog) wetgeving die de verwijdering / vernietiging van sommige data verplicht stelt. Er moet dus wel geselecteerd worden, maar anders.

Op hoofdlijnen ben ik het met bovenstaande analyse van Bailey eens, maar ik heb hier en daar mijn twijfels bij de oplossingen die hij voordraagt. In het boek formuleert hij tien principes waar een archiefsysteem 2.0 aan zou moeten voldoen (vertaling van Paul Ruigrok):

  1. Schaalbaar tot (bijna) in het oneindige.

  2. Volledig, met de potentie om alle aspecten van informatiemanagement door de gehele lifecycle te adresseren.

  3. Onafhankelijk van specifieke hardware, software of fysieke locatie.

  4. Uitbreidbaar en in staat om snel nieuwe prioriteiten en verantwoordelijkheden op te nemen.

  5. Potentieel toepasbaar op alle vastgelegde informatie.

  6. Proportioneel, flexibel en toepasbaar op verschillende niveaus van kwaliteit en details.

  7. Een waardevolle ervaring voor gebruikers met een positieve incentive om deel te nemen.

  8. Verkoopbaar aan eindgebruikers, beslissers en belangengroepen.

  9. Zelfkritisch en positief ten opzichte van uitdagingen en veranderingen.

  10. Acceptabel voor en gedreven door de recordsmanagementgemeenschap en haar deelnemers.

En wat betekenen deze principers voor classificatie en selectie?
Bailey stelt dat de recordsmanager voor beide problemen gebruik kan maken van "the crowd". Voor classificatie zou dat betekenen dat er een soort 'corporate Delicious' zou komen, die mensen in staat stelt om alles wat ze in 'the cloud' plaatsen, toch op één 'centrale' plek kunnen taggen.
Voor selectie denkt hij aan het gebruiken van een soort User Voice-systeem waarbij gebruikers bijvoorbeeld kunnen aangeven of informatie voor hun interessant of relevant was en of deze (daarom) nog 12 maanden bewaard moet blijven.
Hoewel ik de logica achter deze voorstellen snap, voorzie ik één probleem en dat is schaalgrootte, of eigenlijk het gebrek daar aan.
Tags en systemen als User Voice werken optimaal als heel veel mensen actief mee doen. Pas dan worden de 'extremen' afgezwakt door de grote massa. Als vijfentachtig mensen zeggen dat iets een brommer is, tien zeggen fiets en vijf snorfiets, dan zal het wel een brommer zijn. Maar, als slechts vijf mensen een tag toevoegen en twee zeggen fiets, twee zeggen snorfiets en één zegt fiets, dan kun je op basis daarvan niet goed vaststellen welke van de drie het is. (Ik schreef hier al eerder over)
Maar in welke organisatie wordt één specifieke stukje informatie door meer dan vijf tot tien mensen 'behandeld' en dus getagd of gewaardeerd? Hoe effectief is een dergelijke oplossing dan?

Een ander punt waar ik toch moeite mee heb, is het loslaten van het onderscheid tussen 'record' en 'information'. Preciezer geformuleerd: het loslaten van de relatie tussen werkproces en archiefstuk en archiefstukken onderling. Bailey lijkt in het hele boek de relatie tussen archiefstuk en werkproces negeren. Hij gaat er niet van uit dat vanuit een werkproces bepaald wordt of informatie aan dat procesgebonden is of niet (en dus wel of geen archiefstuk is). In de plaats daarvan kiest hij voor het uitgangspunt dat alle vastgelegde informatie de potentie heeft om van belang te zijn en dus ook als zodanig behandeld moet worden. Voorlopig zie ik hiervan nog niet de voordelen in, maar misschien ben ik op dit punt te ouderwets en moet ik mijn Archiefschool-bril op dit punt bijstellen.

Overigens schreef James Lappin afgelopen week ook min of meer over dit onderscheid tussen "alle informatie" en een "dossier":

"[Organisarions] are not able to maintain good files across all areas of work. The concept of a file/records folder feels like an old-fashioned concept, a legacy from the hard-copy world of decades gone by. And yet organisations still need some means of relating together the records (however defined!) of a piece of work and managing them over time.
If the file/records folder was invented today, from scratch, with no history or legacy, what features would it have?"

Maken deze kritiekpunten op Managing the crowd het tot een slecht boek?
Nee, in tegendeel, Bailey maakt zelf van meet af aan duidelijk dat hij niet 'de' oplossingen heeft, maar dat hij vooral wil aanzetten tot nadenken:

"You may disagree with some of the solutions proposed in this book - perhaps even all of them - but if at the end of it you have been stirred into thinking of just one other approach that might be worth consideration it will have served its purpose."(p.XIX)

En om die reden alleen al, zouden alle archivarissen, recordsmanagers, DIV-ers of hoe ze zich allemaal noemen, dit boek moeten lezen. Want:


Deze blog werd mede mogelijk gemaakt door @janaca en @elchido

woensdag 3 maart 2010

In andermans auto rijden


Dus, om wat voor reden dan ook, wil je ergens met de auto heen. Het probleem is alleen dat je er zelf geen hebt. De overburen wel, die hebben een mooie Toyota, maar ze hebben goede redenen om die niet zo maar aan jou uit lenen. Wat doe je dan?
Dan vraag je natuurlijk via Twitter of iemand weet hoe je met andermans Toyota weg kunt rijden. Als je dan via-via wat tips krijgt over hoe dat kan, dan vertel je dat uiteraard niet aan die vervelende overburen of aan Toyota. Je doel is namelijk wegrijden in die Toyota, niet het oplossen van beveiligingsproblemen.
Dus laat je dan een vriendje van je een filmpje maken waaruit blijkt dat je niet alleen de Toyota van de overburen, maar ook nog de Renault van dat gezin om de hoek en zelfs de Mercedes van die mensen op het plein heel makkelijk mee kunt nemen.
Jee, wat zijn al die mensen dom zeg! Maar gelukkig heb jij wel weer een maatschappelijke wantoestand aan de kaak gesteld.

En, o ja, wat zeggen die overburen: "Wij wilden onze Toyota sowieso voor iedereen beschikbaar stellen en denken dat we dit door deze actie sneller gerealiseerd krijgen."

Het is een rare wereld waar we in leven.

Plaatje

maandag 1 maart 2010

Daniel Defoe - The life and strange adventures of Robinson Crusoe

Bijna driehonderd jaar geleden verscheen dit boek en hoewel bijna niemand het gelezen heeft, kent iedereen het verhaal van "Robinson Crusowee" op zijn eiland.
Ik las het een jaar of zestien geleden voor het eerst (zie beneden) en heb het deze winter, juist toen we bijna insneeuwden, nog maar eens gelezen.
Twee dingen vielen me nu op.
Allereerst hoe leesbaar een Engels boek uit 1719 is. Natuurlijk de spelling is in mijn editie iets aangepast, maar het taalgebruik en de zinsbouw zijn heel begrijpelijk. Ik heb de indruk dat het Nederlandse proza uit die tijd, mede door alle spellingshervormingen minder begrijpelijk is.
Iets anders wat me nu opviel, en dat ik me niet van de eerste lezing kan herinneren, is eigenlijk maar een detail. Robinson redt op een gegeven moment een "wilde", de beroemde Vrijdag. Een paar jaar later redden Vrijdag en Robinson een stel Spanjaarden en nog een "wilde". Die laatste blijkt toevallig de vader van Vrijdag en vader zijn zoon zijn dolgelukkig dat ze elkaar weer hervonden hebben.
Weer een paar maanden later gaat Vrijdags vader met de twee Spanjaarden terug naar het vasteland. Hun doel is om nog wat op het vasteland gestrande Spanjaarden op te halen. En dan komt het rare. In de tijd dat Vrijdags vader weg is, landt er een Engels schip op het eiland en na nog wat verwikkelingen vertrekken Robinson en Vrijdag met dit schip naar Europa. En over de vader van Vrijdag wordt met geen woord meer gerept! Vond ik vreemd.

In 1994 las ik het boek trouwens voor een Letterkunde-college over Robinsonades. Hieronder de notitie die ik destijds met Frédérique de Muij hierover schreef:
Robinson en de Robinsonades
Het bijzondere lettertype en de rare paginanummering is een voorbeeld van 'digitaal verval.' De notitie was in Word 95-formaat en dit is een residue van conversie en migratie.