zaterdag 18 september 2010

Gelezen: Jef Geeraerts - Gangreen 2 De goede moordenaar

In Gangreen 1 schreef Geeraerts: ‘De periode van 22 april 1959 tot 16 maart 1960 sla ik over. Later misschien zal ik er over schrijven, of misschien niet…’ En Gangreen 2 beschrijft die periode, waarin Geeraerts als officier bij de Belgische para-commando's in Congo belast is met het uit elkaar houden van Lulua en Baluba in Katanga, in het zuiden van Congo.
Het boek is geschreven in dezelfde "buiten-adem-stijl", waarin zinnen niet van elkaar gescheiden worden door punten, maar door komma's en ook in dit boek wordt er uitbundig geneukt (ik kan het niet anders omschrijven). Maar de kern van het boek zijn de beschrijvingen van de "raids" van de para-commando's en die zijn niet mis. De Lulua moorden de Baluba uit en vice versa en de (Belgische) militairen laten zich daarbij ook niet onbetuigd.
De goede moordenaar is een gruwelijk boek. Niet alleen omdat er gruwelijke dingen in beschreven worden, maar omdat het duidelijk maakt dat bijna iedereen tot gruwelijkheden in staat is.
Wat mij wel verwonderde waren de drie post-scripta die Geeraerts aan het boek toegevoegd heeft, waarin hij de bloedbaden van Oradour en My Lai en de Operatie Rode Draak beschrijft. Waarschijnlijk wil Geeraerts laten zien dat het optreden in 1960 geen uitzondering was, maar de meningen zijn daarover blijkbaar verdeeld:
Waarom incorporeert Geeraerts dit in zijn roman? Daniël Van Ryssel (1973) stelde zich dezelfde vraag en kwam tot drie mogelijke redenen. Ofwel gaat het om verontschuldigingen voor de eigen misdaden, ofwel heeft Geeraerts spijt achteraf, ofwel gaat het om “een literair procédé om de zedenmeesters op de splinters in andermans ogen te wijzen.” (Van Ryssel 1973: 41). Welke reden er ook mag achterzitten, Van Ryssel vindt de postscriptums overbodig. Zich verontschuldigen moet Geeraerts niet doen, gedane zaken nemen immers geen keer. Hetzelfde idee gaat op voor de tweede mogelijke reden, als zou Geeraerts spijt hebben. Als het om de derde reden zou gaan, dan geraakt de auteur zelf “hopeloos verward in de kristelijke moraal, die hij afwijst als hij leeft, maar terug binnenhaalt als hij zijn belevenissen herschept om door de goegemeente als de goede moordenaar te worden aangezien. Een hypokriete uiteraard.” (Van Ryssel 1973: 41)
Uit een dissertatie van Katrien Van Gyseghem, die ik met Google vond en die zonder titel staat in de biblioteek van UGent

Gelezen tussen 04/09/2010 en 14/09/2010

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen