donderdag 14 januari 2010

Authenticiteit?

In de Kerstvakantie las ik op aanraden van een collega De toekomst van het verleden van Alexander Stille. Omdat ik wat gemengde gevoelens bij het boek had, was ik eigenlijk niet van plan er hier over te schrijven. De stijl van Stille staat me niet zo aan, het is een echt 'Amerikaans journalistieke stijl' en hoewel Stille heel veel verschillende onderwerpen bespreekt, van de Sfinx in Gizeh tot natuurbescherming op Madagaskar en het Latijn in het moderne Rome, is het toch veel van hetzelfde. Alle mensen die hij beschrijft zijn monomaan, excentriek en voeren eigenlijk een verloren strijd. Na acht van de elf hoofdstukken had ik er genoeg van en heb ik het dichtgeslagen en opzij gelegd.

Gisteren, terwijl ik bezig was met het beantwoorden van diverse vragen over archiefwettelijke vervanging, moest ik desondanks toch aan een hoofdstuk uit het boek denken. Één van de aspecten die bij vervanging een belangrijke rol spelen is de vraag hoe authentiek een (digitale) reproductie is. En dan ging het gisteren eigenlijk niet eens om de juridische authenticiteit ("Dit document is wat het zegt te zijn"), maar meer om de 'historische sensatie' van een origineel document.

In sommige gevallen hebben archiefstukken een museale waarde: ze zijn het op grond van esthetische of historische gronden waard om getoond te worden. Daarnaast kunnen archiefstukken tijdens exposities gebruikt worden om bepaalde zaken toe te lichten. Zo kan een bouwtekening van een (gebombardeerde) brug een heldere illustratie zijn van een niet meer bestaande situatie. Wij vinden het in zo'n geval heel belangrijk om 'het origineel' te tonen en in sommige gevallen leidt dit tot de beslissing om bepaalde documenten niet te vervangen.

In het tweede hoofdstuk van zijn boek (De cultuur van de kopie en de teloorgang van het Chinese verleden) beschrijft Stille dat er in China en Japan een andere opvatting over oud en authentiek gehanteerd wordt dan in 'het Westen'. Het bekendste voorbeeld daarvan is misschien wel de Japanse Ise-schrijn, waarvan hieronder een bouwtekening staat afgebeeld.
Deze tempel uit de zevende eeuw na Christus wordt om de twintig jaar ritueel verwoest en daarna weer opgebouwd. Ik stelde me dat altijd als een soort Ikea-bouwpakket of een puzzel voor, maar begrijp nu dat hij echt verwoest wordt en daarna met nieuw hout wordt opgebouwd.
"In de ogen van de Japanners is de tempel dertien eeuwen oud, hoewel geen enkel onderdeel ouder is dan twintig jaar. Westerse kunsthistorici weten niet wat ze hiermee aan moeten. De Unesco heeft dan ook na heftige discussies besloten om de Ise-schrijn en vele andere beroemde Japanse monumentale bouwwerken van de lijst van werelderfgoed te schrappen. De motivatie luidde dat deze gebouwen niet echt oud of authentiek zijn."
(De toekomst van het verleden, p,64-65)

Daarna beschrijft Stille dat er in het Chinees twee verschillende woorden voor kopiëren zijn: Fang Zhipin, wat ongeveer gelijk staat aan ons begrip reproductie en Fu Zhipin wat een reproductie van zeer hoogwaardige kwaliteit is, die het waard is om bestudeerd te worden. Het blijkt dat in heel veel gevallen Fu Zhipin tentoongesteld worden, maar dat dit op het oog bijna niet vast te stellen is.

Nu vraag ik me af: Zouden wij voor archiefbescheiden die we willen tentoonstellen niet ook altijd Fu Zhipin moeten maken?
blog comments powered by Disqus