zaterdag 25 september 2010

Gelezen: Toby Litt - King Death

De titel van ieder nieuw boek van Toby Litt begint met de volgende letter van het alfabet. Hij begon met Adventures in Capitalism, daarna kwamen Beatniks, Corpsing en Deadkidsongs (zijn beste boek tot nu toe). Ondertussen is hij bij de K van King Death.
Ik twijfel een beetje over de kwaliteiten van dit boek. Ik heb een zwak voor Litt. Zijn bravoure, de alfabet-regel maakte hij meteen bij de verschijning van het eerste boek bekend, bevalt me wel. Ik hou er ook wel van dat hij probeert ieder boek in een ander genre te schrijven (politiethriller, damesliteratuur, sci-fi), zeker als daarbij spelletjes met genre en opmaak gespeeld worden. En het "verhaal" van zijn romans is meestal ook inrigerend.
Waarom nu dan die twijfel? Het verhaal is bijzonder genoeg: Kumiko en Skelton zien dat iemand een mensenhart gooit uit de trein waar zij inzitten en gaan op onderzoek uit. Wie gooide waarom dat hart uit de trein. Terwijl ze dit uitzoeken, lossen ze, min of meer per ongelijk ook nog het raadsel van een verdwenen patholoog op.
De structuur van de roman is apart: de hoofdstukken worden om en om vertelt door Kumiko (vertaald uit het Japans) en Skelton, in een soort dakpan-structuur. Het tweede hoofdstuk sluit in de tijd niet aan op het eerste, maar overlapt het een beetje. Het derde hoofdstuk overlapt het tweede weer en zo verder. Vooral door deze structuur kan Litt sommige informatie verklappen of juist achterhouden. Dat maakt het spannend.
Maar de geloofwaardigheid van het verhaal en de karakters is een beetje het probleem. Een mensenhart herkennen uit een rijdende trein, lijkt me heel onwaarschijnlijk. Zeker als je kunstenaar (Kumiko) en sessie-muzikant (Skelton) bent. En de rest van het boek hangt ook wel erg van toevallige ontmoetingen en ontdekkingen aan elkaar.
Ach, het was aardig om te lezen, maar niet meer dan dat.

Tenslotte nog een citaat voor de collectie van Hans Waalwijk (zie SAP-Jaarboek 2010, p.80-94)
During one of our trips along to collect patients'medical records, I had an idea. It might be worthwhile having a look at Mrs Fine's file, to see if anyone really had suspected murder. The Clerk down there most of the time was called Jeff Davis - although Nick, and quite a few of the rest of the staff, used his nickname: Jabba. He was quite fat. With al little long-term planning starting to emerge, I began to pay attention to the mechanics of file storage and retrieval. I also tried to become friendly with Jabba - who seemed delighted that someone had finally shown enough interest in his work to ask a question.
'Oh the records here go back to just before the Second World War. You wouldn't believe the stuff we've got here - some of it still fire-damaged from -'
'Thank you, Mr Davis,' said Wally. 'But we must be going.'
Once we were out of earshot, Wally said, 'If you waste too much time down there, you will be disciplined. Mr. Davis is slightly mad. I think the loneliness drove him mad a long time ago.'
(p.176-177)
Gelezen tussen 14/09/2010 en 22/09/2010

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen